gezondheid

Stijgende soa-cijfers in heel Europa

Hoe ga je als zorgverlener het gesprek aan over seksuele gezondheid?
24.05.2024
Foto's
Bob Van Mol

De soa-statistieken gaan de laatste jaren in heel Europa in stijgende lijn. Vastliggende verklaringen zijn er niet, wel een aantal hypotheses. En belangrijker: er worden inspanningen gedaan om de lijn weer om te buigen, door hernieuwde aandacht voor preventie en vormingen voor zorgverleners. Veerle Doossche en Svenja Vergauwen, beleidsmedewerkers bij Sensoa, vertellen er meer over.

Ondanks het feit dat er geen sluitende verklaringen zijn voor de stijgende cijfers, is er wel een aantal hypotheses.

Veerle Doossche, beleidsmedewerker hiv en soa’s: “De soa’s waar we het over hebben zijn chlamydia, gonorroe en syfilis. Niet herpes of wratjes, die nog vaker voorkomen. De stijging is er al jaren, dus we hoeven haar niet te dramatiseren. Een hypothese is dat mensen zich vaker laten testen, zodat er ook meer positieve testen zijn. Maar dat feit alleen kan de stijging van het aantal positieve testen niet verklaren. Er zijn wel degelijk meer infecties. Vroeger was het vooral chlamydia bij jonge hetero’s, en gonorroe en syfilis bij mannen die seks hebben met mannen. Vandaag zien we voor het eerst ook een stijging van gonorroe bij jonge hetero’s.”

Hoe is die stijging te verklaren?

Doossche: “Bij jongere hetero’s zou de lockdown meegespeeld kunnen hebben. Mogelijk is een aantal preventieboodschappen daardoor niet goed aangekomen. Algemeen leeft er ook minder angst voor hiv dan enkel decennia geleden, nu hiv een chronische ziekte is geworden die onder controle gehouden kan worden met medicatie. Condoomgebruik is hierdoor iets meer op de achtergrond geraakt. Er is ook de hypothese dat door de opkomst van datingsapps mensen meer wisselende seksuele contacten hebben. We zien trouwens niet alleen een stijging van soa’s bij jonge hetero’s, maar ook bij iets ouderen die na een lange relatie scheiden en weer beginnen te daten. Ook zij mogen niet vergeten worden bij preventie en gesprekken over seksuele gezondheid. Bij mannen die seks hebben met mannen zou het gebruik van PrEP, medicatie die de overdracht van hiv verhindert, met zich mee kunnen brengen dat sommigen vaker het condoom achterwege laten. PrEP verhindert echter niet de overdracht van andere soa’s.”

Preventie blijft dus nodig. Wat zijn daarin de hoofdlijnen?

Doossche: “Het condoom blijft de beste optie om soa’s te vermijden. Het is ook een goed idee om bij het aangaan van een lange monogame relatie beide partners testen te laten ondergaan alvorens het condoom weg te laten. Ook testen na een onveilig contact is goed: mocht je iets opgelopen hebben, kan je je snel laten behandelen zodat je de infectie niet doorgeeft. Daarnaast is het een goed idee om ook je partners op de hoogte brengt na een positieve test. Dat kan de huisarts eventueel voor jou regelen via het systeem Partner Alert, waarbij de partner een anoniem bericht ontvangt dat hij of zij in contact was met iemand die een positieve test aflegde. Voor wie de drempel te hoog vindt om het aan de huisarts te vragen, zijn er tegenwoordig ook betrouwbare online zelftesten beschikbaar. Die zijn wel duurder dan wanneer je je laat testen bij je huisarts.”

Hoe ga je als zorg- of hulpverlener het gesprek aan over seksuele gezondheid als je merkt dat iemand misschien info zou kunnen gebruiken?

Svenja Vergauwen, beleidsmedewerker seksueel welbevinden: “Het Kenniscentrum Gezondheid (kce.be) ontwikkelde een goede interactieve consultatietool met een stappenplan om een gesprek over soa vorm te geven. Ook bij Sensoa ontwikkelden de methodiek ‘Onder vier ogen’ die zorgverleners helpt het gesprek over seksuele gezondheid aan te gaan. Je hoeft niet te wachten tot er een vraag van de patiënt komt om het gesprek over seksueel welbevinden of seksuele gezondheid te starten. Bepaalde klachten kunnen aanleiding geven tot een gesprek. Als een patiënt tot een bepaalde doelgroep behoort, kan het ook goed zijn om meer info te geven. Een eerste stap is uitleggen waarom je het gesprek start, en toestemming vragen om dat te doen. Als iemand bijvoorbeeld geen vaste relatie heeft, kan je zeggen dat uit onderzoek blijkt dat mensen met wisselende sekspartners vaker een soa oplopen. Vraag dan of de patiënt daarover wil praten. Indien niet, stopt het gesprek. Als iemand bij een bloedafname vraagt om op ‘alles’ te testen, zou dat ook een belletje moeten doen rinkelen om een extra gesprek aan te gaan.”

Dit richt zich dan vooral op huisartsen. Kunnen andere zorgverleners of mensen in de sociale sector ook aan de slag met ‘Onder 4 Ogen’?

Svenja: “Het stappenplan richt zich inderdaad in eerste plaats op huisartsen, maar verpleegkundigen, gynaecologen, vroedvrouwen en psychologen behoren ook de doelgroep. Wie met een soa te maken krijgt, zal daar vaak over piekeren of zich mentaal minder goed voelen. Het emotionele aspect mogen we niet uit het oog verliezen, zeker niet bij langdurige aandoeningen zoals herpes. Wanneer vertel ik het aan mijn partner? Geraak ik er nog ooit vanaf? Kan ik nog een nieuwe relatie aangaan? Hoe verzorg ik me best? De methode ‘Onder 4 Ogen’ richt zich naar eerstelijnsprofessionals, dus ook sociaal werkers en apothekers kunnen deze gebruiken. We moedigen hen aan om het gesprek aan te gaan. Het gaat dan niet alleen over soa’s, maar ook over pijn bij het vrijen of verlies van een partner. Daarnaast bestaat er ook nog een online cursus voor zorgverleners over omgaan met patiënten met hiv. Daar is de belangrijkste boodschap dat de standaardmaatregelen die je neemt om een patiënt te verzorgen ook voldoende zijn om een patiënt met hiv te verzorgen. We blijven zowel professionals als het grote publiek informeren en sensibiliseren met wetenschappelijk onderbouwde info.”

>> Meer info over de methodiek ‘Onder vier ogen’ vind je op www.sensoa.be