De eerste duizend dagen maken het verschil

Zorgen voor jonge ouders is zorgen voor het kind

Het prille ouderschap is niet altijd rozengeur en maneschijn. Maar voor sommige moeders is de spreekwoordelijke roze wolk een echte donderwolk. Eén vrouw op de vijf ervaart ernstige mentale problemen tijdens of net na de zwangerschap. Als stress en angst overmatig en langdurig aanwezig zijn, kan dat gevolgen hebben voor het hele gezin. Maar vooral het kind is kwetsbaar.   

Gezondheidspsychologe Bea Van Ben Bergh (KU Leuven) doet al 40 jaar onderzoek naar de gevolgen van stress en angst bij moeders voor het nageslacht. Ze volgde kinderen op van 12 weken in de zwangerschap tot de leeftijd van 28 jaar en kwam tot opmerkelijke vaststellingen. “De eerste duizend levensdagen – dat is de periode van de conceptie tot de tweede verjaardag – zijn heel bepalend voor het verdere leven”, zegt Van Den Bergh. “Als de moeder in die periode veel en langdurig stress heeft, hebben we wetenschappelijk kunnen vaststellen dat het brein van het kind iets anders ontwikkelt en ook andere biologische processen minder optimaal verlopen. Dat heeft gevolgen zowel op korte als lange termijn. In de eerste levensjaren merken we dat die kinderen prikkelbaar zijn: ze huilen veel, slapen weinig, eten moeilijk. We noemen dat regulatieproblemen. Op lange termijn kan de ontwikkeling van ADHD vaak een gevolg zijn. Maar ook stressgevoeligheid, leerproblemen, depressies worden ermee in verband gebracht.”

Omgaan met stress

Zwangerschap en geboorte zijn voor de moeder een periode van grote veranderingen, zowel fysiek als emotioneel. Het hoeft volgens Van Den Bergh dan ook niet te verbazen dat vrouwen net dan een hogere kans hebben om stress en angst te ontwikkelen. “Moeders van wie de werksituatie bijvoorbeeld onzeker is, die kampen met relationele problemen of die net een overlijden te verwerken kregen, lopen nog meer risico. Socio-economische factoren zijn dus mee bepalend.”

Bea Van Den Bergh, gezondheidspsychologe (KU Leuven): “Als een moeder stress en angst goed weet op te vangen, blijven de negatieve gevolgen voor het kind beperkt.”

“De afgelopen decennia is er veel aandacht besteed aan wat stress doet. Maar minstens even belangrijk is hoe je ermee omgaat. Uit onderzoek weten we dat als een moeder stress en angst goed opvangt, de negatieve gevolgen voor het kind beperkt blijven. Na de geboorte zal de moeder de manier waarop ze omgaat met stress ook doorgeven aan haar kind.” Van Den Bergh vindt het dan ook belangrijk om toekomstige en jonge ouders meer te ondersteunen. “We moeten hen veerkrachtiger maken zodat ze beter met veranderingen en tegenslagen kunnen omgaan. Zelfzorg stimuleren en ervoor zorgen dat ze met een realistisch beeld naar het ouderschap toeleven zijn maar enkele manieren om hun weerbaarheid te verhogen.”

In een onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin liet het Departement WVG op initiatief van Van Den Bergh in 2020 nagaan hoever Vlaanderen staat met de mentale ondersteuning van toekomstige en jonge ouders. “Met die studie hebben we de initiatieven die er op het vlak van perinatale ondersteuning al bestaan willen inventariseren. De conclusie is dat er al heel wat moois is: projecten waar toekomstige en jonge mama’s kunnen ventileren, informatie inwinnen, geholpen worden. Maar wat we eveneens vastgesteld hebben is dat het aanbod niet altijd de moeders bereikt die er het meeste nood aan hebben. Het is te versnipperd, er is geen algemeen overzicht. Zelfs mensen in de zorg weten niet goed wat er allemaal bestaat, zodat doorverwijzing soms hapert.”

Kinderpsychiater Binu Singh richtte in 2016 Kleine K op, een dagkliniek verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en het UZ Leuven. Daar komen baby’s en peuters langs die meestal bij de start van hun leven veel stress en angst hebben ervaren hebben en daar al de kortetermijngevolgen van dragen. Het zijn de huilbaby’s, moeilijke slapers of slechte eters. “Samen met de ouders gaan we op zoek naar de beste aanpak voor hun kind. In gemiddeld 18 weken lukt het ons de weg naar een gezonde ontwikkeling weer vrij te maken. Wij doen eigenlijk aan vroeginterventie. Door op tijd in te grijpen, vermijden we dat er grotere problemen ontstaan, en dat die kinderen later kampen met een depressie of overgewicht en onze patiënten worden.”

Binu Singh, kinderpsychiater bij dagkliniek Kleine K: “Laat ons de ouders informeren en ondersteunen, dan krijgen kinderen automatisch wat ze nodig hebben.”

Veeleisend

Net zoals Van Den Bergh vindt Singh dat het beter zou zijn om nog vroeger in te grijpen. “Laat ons de ouders informeren en ondersteunen en dan krijgen kinderen automatisch wat ze nodig hebben. Ouders die problemen ondervinden bij de opvoeding komen daar niet graag mee naar buiten. Ze denken dat ze gefaald hebben. Als ze bij ons merken dat het ook in andere gezinnen niet van een leien dakje loopt, is dat vaak troostend.” Volgens Singh is er heel wat onwetendheid bij jonge ouders en verwachten we als maatschappij te veel van hen. “Als ouder moet je zomaar weten hoe je kinderen moet opvoeden. Daarnaast moet je ook carrière maken, deelnemen aan het sociale leven, een huis bouwen of verbouwen, en een goede relatie hebben. Bovendien moeten ouders het meer dan vroeger alleen zien te klaren, want grootouders werken steeds langer en onze buren kennen we niet meer. De druk op een gezin is enorm en blijft toenemen. Er zijn ondertussen meer kinderen met regulatieproblemen dan kinderen met ADHD. En toch is er voor die eerste groep nauwelijks aandacht. Dat komt omdat regulatieproblemen nog onbekend zijn. Als we ervoor zorgen dat onze kinderen een goede start krijgen, creëren we een gezondere maatschappij. Bovendien zal het voor de overheid ook financieel voordeliger zijn om in de beginfase te investeren. In Denemarken heeft een onderzoek aangetoond dat het grootste percentage van het gezondheidsbudget net naar gebruikers gaat die een slechte start kenden.”

Singh ziet wel dat er iets aan het veranderen is ten opzichte van een paar jaar geleden. “Op de werkvloer zijn de eerste verschuivingen zichtbaar. Sinds vier jaar geef ik in de opleiding Geneeskunde al les over regulatieproblemen. Bovendien is er meer aandacht om depressies bij jonge moeders op te sporen. Daarnaast zetten de media en politiek die eerste duizend kritieke dagen sinds kort regelmatig in de kijker. Toch moeten we opletten dat we zo de ouders niet met schuldgevoelens opzadelen. Het is daarom belangrijk om ook maatschappelijke stappen te zetten op vlak van psychosociale steun, ouderschapsverlof, kinderopvang om hen zo beter te ondersteunen.”

Aanbevelingen

“Ook de Vlaamse overheid is er al van 2016 van overtuigd dat er meer aandacht moet komen voor de mentale gezondheid van jonge ouders en investeert daar ook in. Daarom werd het Vlaams Expertisenetwerk Perinatale Mentale Gezondheid opgericht, als onderdeel van het project Perinatale Mentale Gezondheid. Dat netwerk legde vanuit de praktijk de noden en wensen bloot rond mentale gezondheidszorg voor toekomstige en jonge gezinnen”, zegt Evelyne Deguffroy van het agentschap Opgroeien en gewezen voorzitster van dat netwerk. “We stelden vast dat zorgverleners meer dan ooit beseffen dat je door zorg te dragen voor de ouders, ook zorg draagt voor het kind. De afgelopen jaren heeft de gezondheidssector al heel wat inspanningen geleverd en vooruitgang geboekt. Vooral op het vlak van preventie en vroegdetectie is er wat in beweging gekomen. Zo besteedt Kind & Gezin aandacht aan dat emotioneel welzijn vanaf het eerste huisbezoek dat nog voor de geboorte plaatsvindt. Een medewerker maakt ouders attent op hun kwetsbaarheid rond de periode van geboorte, doorprikt het beeld van de roze wolk dat er nog vaak is en maakt hen duidelijk dat het oké is om hulp te vragen als de baby komt. Ook na de geboorte probeert Kind & Gezin depressie zo vroeg mogelijk uit te sluiten door naar het emotioneel welzijn van de ouders te informeren.”

Evelyne Deguffroy: “De afgelopen jaren heeft de gezondheidssector vooral op het vlak van preventie en vroegdetectie al heel wat inspanningen geleverd.”

Hoewel in Vlaanderen de eerste stappen gezet zijn, zijn er nog heel wat mogelijkheden om het emotionele welzijn van jonge gezinnen te ondersteunen. “Minister Wouter Beke heeft een uitbreidingsbeleid rond perinatale mentale zorg aangekondigd. Dat stemt ons hoopvol. Omdat zorgverleners aangeven dat ze wel willen ondersteunen, maar niet altijd over de juiste kennis en vaardigheden beschikken, is een van onze prioriteiten dan ook inzetten op expertise. Zo willen we in verschillende zorgopleidingen handvaten aanbieden waarmee zorgverleners gezinnen nog beter kunnen ondersteunen. Omdat ook doorverwijzen nog niet altijd vlot verloopt, is het belangrijk om het hele netwerk van ondersteuningsmogelijkheden in kaart te brengen. Zo geraakt de zorg tot bij de ouder. Daarnaast zien we ook nog heel wat mogelijkheden om het aanbod nog te versterken, onderzoek uit te breiden en onze maatschappij te sensibiliseren.” Die kansen zijn nu omgezet in aanbevelingen voor het uitbreidingsbeleid. Deguffroy en haar team hebben er een jaar aan geschreven. Eind 2021 was het rapport klaar. “De aanbevelingen komen recht uit het werkveld. Nu moeten er keuzes gemaakt worden: waar worden de beschikbare middelen op ingezet? Het rapport biedt op korte en lange termijn een stevige basis voor een duurzame mentale gezondheidszorg voor jonge gezinnen.”

Zwangerschapscentrum De Wase Kiem, waar nieuw leven ondersteund wordt

Zes dikke buiken waggelen een voor een de zaal binnen. Glazen water en schaaltjes met cake staan klaar om de vrouwen te verwelkomen. Hier vindt zo dadelijk een groepssessie van de Wase Kiem plaats. Dat is een zwangerschapscentrum in Sint-Niklaas, dat kwetsbare vrouwen begeleidt doorheen hun zwangerschap en kort na de bevalling.

Deelnemer Iman komt als eerste aan voor de groepssessie. Vooraleer die echt van start gaat, vindt een medische controle plaats. Vroedvrouw Iris weegt Iman, meet haar bloeddruk en controleert haar urine. “Alles is in orde”, stelt ze de 33-jarige vrouw gerust. Maar Iman voelt zich niet zo lekker. Ze heeft last van een verkoudheid, slaapt daardoor slecht en is moe. Iris raadt haar aan om wat rechter te slapen en ook af en toe overdag een dutje te doen. Ook al heeft Iman al een zoontje, toch moet ze die extra rust zeker voorzien. “Dit is mijn derde zwangerschap”, legt Iman uit. “Bij mijn vorige bevallingen kreeg ik geen extra begeleiding. Ik ging bij de gynaecoloog, maar die heeft vooral aandacht voor het medische. Ik leer hier nog heel wat bij.” Iman beviel eerder al van een zoon en dochter. “Bij mijn eerste zwangerschap wist ik van niets. De bevalling heeft me toen wat overdonderd. Bij de tweede zwangerschap wisten we al voor de geboorte dat ons dochtertje een zorgenkindje zou zijn, wat ervoor zorgde dat zowel de zwangerschap als de geboorte stressvol waren. Onze dochter is overleden toen ze drie was. Mijn man en ik verwachten opnieuw een meisje. We proberen niet in het verleden te leven. Ik ben echt met dit kind bezig en wil van alle beschikbare ondersteuning gebruikmaken. Ik wil zo sterk mogelijk staan om dit nieuwe leven te verwelkomen.” 

Mama Iman: “Ik wil van alle beschikbare ondersteuning gebruikmaken. Ik wil zo sterk mogelijk staan om dit nieuwe leven te verwelkomen”

Onder de deelnemers zijn er nog vrouwen die al kinderen hebben. “Die kunnen altijd meekomen naar de groepssessie”, legt vroedvrouw Iris uit. “We willen niet dat vrouwen door hun gezinssituatie verhinderd zouden zijn om deel te nemen. Hier is speelgoed genoeg, zodat de kleintjes zich kunnen amuseren.” Als het groepsgesprek start, nemen de vrouwen plaats in een kring. Al sinds de derde maand van hun zwangerschap zien ze elkaar maandelijks. Allemaal bevinden ze zich nu tussen week 30 en 34. Ze wisselen hun ervaring uit en krijgen van Iris aangepaste informatie. “Ik probeer de vragen zo veel mogelijk uit de groep te laten komen, maar ik stuur natuurlijk wel in een bepaalde richting. Vandaag wil ik het hebben over de bevalling.” Iris vraagt aan de vrouwen wat ze van dat moment verwachten. Iman herinnert zich de bevalling van haar zoontje. Toen beviel ze met een epidurale verdoving. Dat kan ze iedereen aanraden. Deelnemer Nancy is voor de eerste keer zwanger. Iris legt uit hoeveel centimeter ontsluiting je minimaal en maximaal mag hebben om zo’n verdoving te kunnen aanvragen. “Ik ben nog maar 21, maar niet bang om te bevallen. Door de begeleiding hier heb ik het gevoel dat ik weet wat me te wachten staat. Als ik met vragen zit, hoef ik ook niet te wachten tot de volgende groepssessie plaatsvindt. We mogen altijd whatsappen of bellen. Niet alleen vroedvrouw Iris, ook een huisarts, gynaecoloog en maatschappelijk werker staan dan klaar om ons te antwoorden en verder op weg te helpen. Dat is heel geruststellend.” 

Toekomstige mama Nancy: “Ik ben niet bang om te bevallen. Door de begeleiding hier heb ik het gevoel dat ik weet wat me te wachten staat.”

“Wij zijn voor de deelnemers aan het project het eerste aanspreekpunt”, legt Iris uit. “Ze komen naar ons met medische en psychosociale vragen. We helpen waar het kan: hoe vraag je je groeipakket aan of wat te doen als je geen ziektekostenverzekering hebt? Ook de kansenwerker van de stad stelt zich tijdens de eerste sessie voor. Kunnen wij het niet oplossen, dan verwijzen we door.”

Foto's
Bob Van Mol / Jens Mollenvanger