'Er wordt nog te vaak over de hoofden van jongeren heen beslist'

Participeren: hoe doe je dat?

Participatie, het begrip is niet meer uit de hulpverlening weg te slaan. Maar hoe ga je er concreet mee aan de slag? Check het participatiekompas. “Het kan dat extra duwtje geven dat de sector nodig heeft.”

Participatie. De een wordt meteen enthousiast als de term valt, de ander sluit zijn ogen en denkt er het zijne van. De een ziet alle mogelijkheden die participatie met zich brengt, de ander denkt misschien vooral aan ‘het extra werk’. Een artikel over het recent gelanceerde Participatiekompas voor de jeugdhulp riskeert dus ook beide reacties op te roepen. Spoiler alert: beide reacties zijn terecht volgens Reinhilde Pulinx en Joris Piot, medewerkers van het expertisecentrum Inclusive Society (UCLL) dat het Participatiekompas ontwikkelde op vraag van Opgroeien, het agentschap van de Vlaamse overheid. “Het is goed dat de overheid ziet dat participatie belangrijk is en er ook concrete ondersteuning voor biedt”, stelt Reinhilde. De steun kwam er in de vorm van een onlinetool die organisaties helpt om na te denken over participatie binnen hun werking en ook concrete instrumenten aanreikt om er verdere stappen in te zetten.

Uurtje participatie

De website (participatiekompas.be) ziet er professioneel uit, een beetje overweldigend wel. “Participatie is niet iets dat je eens ‘een uurtje’ doet”, verklaart Reinhilde. “Het vraagt een beslissing om ervoor te gaan. Eens die genomen, kun je echter stap voor stap met het kompas aan de slag. Met de Quickscan kun je checken hoe je organisatie het op het vlak van participatie doet, zowel intern als bij de cliënten. Eens je daar het resultaat van kent, krijg je verschillende tools aangereikt die je helpen om nog meer op participatie in te zetten.”

Mentale ruimte

Het kompas werd ontwikkeld met input en feedback van organisaties op het terrein, om zo dicht mogelijk bij hun noden en verzuchtingen te blijven. Een van die verzuchtingen is het gebrek aan middelen en tijd. “Wij vinden participatie inderdaad belangrijk”, klinkt het bij een deelnemer, “alleen beschikken we niet – zoals anderen – over een aparte kwaliteitsverantwoordelijke die het thema kan opnemen”. Joris en Reinhilde knikken: “We zien dat het gebruik van het kompas momenteel vaak op het niveau van de staf en de pedagogisch verantwoordelijken blijft hangen. Voor mensen aan de basis komt de aandacht voor participatie meestal bovenop alle andere taken. Het ontbreekt hen aan tijd en mentale ruimte om er echt aan te werken.” Joris illustreert: “Stel, je hebt een ruzie tussen twee jongeren in een leefgemeenschap. Als begeleider kun je dan je ‘bewakersrol’ opnemen. Vanuit je hiërarchisch hogere positie stop je de ruzie en zorg je dat de orde in de leefgroep wordt hersteld. Maar je kan ook een stap verderzetten: je stopt de ruzie, maar gaat er bovendien mee aan de slag. Door er aandacht aan te schenken, door er vragen rond te stellen, door erover in gesprek te gaan, door samen te exploreren wat dit nu voor de jongere betekent. In dat proces krijgen jongeren de kans om te groeien tot sterke en sociaal vaardige burgers. Maar het ontbreekt de begeleiders aan tijd en ruimte om dat proces te begeleiden.” Toch vindt Reinhilde dit geen reden om niet naar een participatieve werking te streven. “Je kan heel klein beginnen, door bijvoorbeeld een methodiek van het Participatiekompas uit te proberen. Wie weet wordt je organisatie daardoor getriggerd om nog een stap verder te gaan. Ter ondersteuning bieden we met het expertisecentrum in maart extra intervisies aan.” 

Te braaf

Het gebrek aan middelen maakt dat de weg naar participatie soms moeizamer stapt dan gepland. Maar er is meer. Ook op het vlak van de mindset moet er nog water naar zee.  Volgens Joris is onze maatschappij nog steeds hiërarchisch georganiseerd en organisaties stappen mee in dat idee. “Je ziet dan bijvoorbeeld dat een opvoeder die participatief probeert te werken door collega’s als ‘te braaf’ wordt bestempeld, als iemand die zijn gezag uit handen geeft. Maar ook de jongeren nemen zo’n opvoeder vaak niet ernstig. Want ze zijn het niet gewoon hun stem te mogen laten horen. Daarom is er participatie nodig op alle niveaus. De directeur moet participatief zijn met zijn staf. De staf moet participatief zijn met het team. Het team moet participatief zijn met jongeren, met ouders, met de buurt.”

Iedereen in het bad

Wat die participatie precies inhoudt, staat niet ‘per definitie’ vast. Reinhilde: “Dat verschilt voor elke organisatie. Daarom geeft het Participatiekompas ook geen sterk afgebakende visie mee. Het zet je daarentegen aan om te reflecteren over wat participatie voor jouw organisatie betekent. Hoe brengen mensen expertise in en hoe luister je naar anderen? Maar ook: hoe kijken je cliënten naar participatie? Niet alle jongeren willen bijvoorbeeld op dezelfde manier participeren.” Eén punt geldt volgens Joris wel voor elk van hen. “Jongeren moeten nog meer mee kunnen beslissen over wat er gebeurt met hun leven. Momenteel zijn het vooral de systemen en de professionals die hun toekomst in handen hebben.”

Testbatterij

Toen Inclusive Society een testbatterij samenstelde om het Participatiekompas in de praktijk uit te proberen, tekenden Meggie Verstichele van de dienst Ondersteuningsplan Oost-Vlaanderen en een aantal collega’s present. “We maken ondersteuningsplannen voor mensen met een vermoeden van beperking. Daarbij toetsen we bijna alles af aan onze ambitie om cliënten en hun netwerk (weer) eigenaar van hun eigen leven te laten zijn. Als jongeren bijvoorbeeld de transitie van de jeugdzorg naar zelfstandig wonen maken, bespreken we met hen hoe zij dit zien. En ook: hoe kijken de ouders en de pleegouders er bijvoorbeeld naar? En de vrienden? Er wordt nog te vaak over het hoofd van de jongeren heen beslist. Ook al gebeurt dat met goede intenties.”

“Bij de invulling van de Quickscan viel het op dat we verschillend naar participatie keken. Sommige collega’s gaven onze organisatie een zeer goede score, terwijl anderen vonden dat we nog meer konden doen.” Op basis van de resultaten paste de dienst haar werking al aan. Zo zullen cliënten in de toekomst aan intervisies kunnen deelnemen. Dat zijn belangrijke stappen, maar volgens Meggie kan er altijd meer. Daarom wordt het Participatiekompas binnenkort ook aan de rest van het team voorgelegd. “Binnen het werken volgens sociale netwerkstrategieën, is participatie een basishouding. Een onlinetool zoals het kompas daagt je uit om erover te blijven spreken en bij te leren.”

Extra duwtje

Terwijl Meggie en haar collega’s hun interne organisatie aan de Quickscan onderwierpen, zette Ouderspunt – dat ijvert voor meer inspraak van ouders in de jeugdhulp – zich met enkele ouders rond de tafel om de website door te lichten. “Ouders geven aan dat ze zich niet gehoord en erkend voelen in hun beleving van het hulpverleningsproces. Participatie betekent daarentegen dat ze als deskundige van hun eigen kind worden gezien. Niet als het probleem, maar als een deel van de oplossing.” Volgens Eliska Douwen (medewerker Impactbeleid en Onderzoek van Ouderspunt) geeft de Quickscan organisaties snel een zicht op de sterktes en zwaktes van hun participatiebeleid. Bovendien helpt hij hulpverleners nadenken over hun manier van werken. De toolbox, met allerlei hands-on materiaal, biedt dan weer concrete acties om echt rond participatie aan de slag te gaan. “Het Participatiekompas kan dat extra duwtje in de rug geven dat de sector nodig heeft om met ouders en jongeren samen een verhaal te schrijven.”

Elk zijn taak

Meggie treedt Eliska bij: participatie draait inderdaad om het samen nadenken met de cliënt en het familiaal netwerk over de beste aanpak van een situatie. “Een belangrijke vraag daarbij is: wie doet wat? En wie kiest wie wat doet?” Volgens Meggie is dat een aandachtspunt voor organisaties en hulpverleners die vandaag de dag te veel van cliënten en hun netwerk overnemen.” Eliska knikt: “Het begint al bij studenten in opleiding. Zij zouden moeten leren dat hulpverlenen niet enkel kennis, ervaring en overleg met collega’s impliceert. Je doet het bovendien steeds in dialoog met je cliënt en zijn context.”

Maar ook aan de zijde van de cliënten blijkt er nog werk. Meggie: “Zij laten het soms ook gebeuren, vanuit de redenering ‘jullie zijn de experten’. Wij willen naar een situatie waarin ieder expert is en de regie heeft over zijn eigen leven.” “Dat willen we ook”, repliceert Eliska. “Alleen geloven we dat ouders het soms ‘laten gebeuren’ omdat ze het gevoel hebben dat er niet naar hen geluisterd wordt. Ze zijn ook bang dat, als ze wel iets durven zeggen, ze daarop worden afgerekend.” 

Overheid als hefboom

Wil je die situatie echter veranderen, dan moet iedereen mee in het bad. Meer macht voor de jongere en zijn omgeving betekent verandering met een grote V. Joris Piot: “Het impliceert een verandering van de regels en de organisatie van de overheid, van de aanpak in de jeugdhulp, van de vaardigheden en de houding van jeugdhulpprofessionals, van onderwijspersoneel en ook van de jongere zelf. Participatie is niet van een individu alleen. Het is een houding van een groep, van de maatschappij als geheel.”

Het ultieme doel is volgens Inclusive Society, een maatschappij op basis van gelijkheid. Lees: een verantwoordelijke gemeenschap waar elk zijn steentje bijdraagt en waar je geen professional moet zijn om een jongere mee te begeleiden. Joris: “Natuurlijk hebben professionele hulpverleners hun waarde, maar we willen ook anderen uitnodigen om tot een oplossing voor de jongere te komen: ouders, familie, vrienden, buren, vrijwilligers.” Of we daar ooit zullen geraken, hangt volgens Inclusive Society in de eerste plaats af van de overheid. “Gelijkheid in de hulpverlening brengt extra werk mee voor de mensen aan de basis. Begeleiders moeten plaats maken én anderen uitnodigen om deze plaats in te nemen. Dat kan enkel als organisaties extra volk op het terrein kunnen aanwerven, zodat er tijd en ruimte is om aan dat proces deel te nemen”, weet Joris. “Het lijkt ons de taak van de overheid om die ruimte te creëren. Zij beschikt over de meeste macht om de verandering in gang te zetten.”

>> Het expertisecentrum Inclusive Society organiseert intervisies rond de werking met het participatiekompas. Deelname is gratis!

https://research-expertise.ucll.be/nl/navormingen/intervisietraject-participatiekompas

‘Ik wil mijn kinderen tonen dat ik het meen’

Séverine (49 jaar) is alleenstaande mama van drie opgroeiende zonen. Tijdens haar echtscheiding leerde ze met de hulp van Ouderspunt haar stem te laten horen. “Als ouder weet je soms niet waarin je terechtkomt. Je gaat om goede redenen uit elkaar, maar je kan op voorhand niet inschatten hoever die beslissing draagt. In het begin sta je daar en ben je best wel wat bang.”

Maar via Ouderspunt kreeg Séverine meer zicht op hoe de hulpverlening werkt en werd ze ook aangemoedigd om haar mening te geven. “Ouderspunt organiseert bijvoorbeeld vormingen over de werking van een opvanghuis of van een jeugdrechtbank. Je komt ook in contact met andere ouders. Daardoor verbreed je je netwerk, maar ook je kennis. Je leert bijvoorbeeld dat je steeds hulp mag vragen, dat je het recht hebt om als ouder je stem te laten horen en bij beslissingen betrokken te worden.” Volgens Séverine speelt elk zijn rol in het participatieverhaal. “De belangen van ouder en kind staan centraal. De kinderen moeten inbreng hebben, maar ook als ouder heb je dat recht. De hulpverlening moet als een partner objectief naar de zaak kijken en de jeugdrechter neemt beslissingen in functie van het grotere geheel.”

Zelf ziet Séverine ouderparticipatie als een wisselwerking van verantwoordelijkheid krijgen en nemen. “Als ouder speel je een belangrijke rol in het leven van je kind. Dat geeft je het recht om betrokken te worden bij beslissingen, maar ook de plicht om je verantwoordelijk te gedragen. Zolang je die basisregel respecteert, heb je het recht om het gesprek met de hulpverlening en andere instanties aan te gaan.” Aan haar gesprekspartners vraagt Séverine vooral om in verbinding te blijven, zowel met de jongere als de ouder. “Ieder heeft zijn eigen verhaal. Een kind van gescheiden ouders kan bijvoorbeeld met andere zaken worstelen dan het opvoedingspatroon – dat zich soms als eerste verklaring aandient.” Aan andere ouders wil Séverine vooral duidelijk maken dat ze zich kwetsbaar mogen opstellen en hulp mogen vragen. “We zijn allemaal van tel. Ook ouders die hun boodschap misschien moeilijk kunnen verwoorden. Je mag je verhaal telkens opnieuw laten horen en je mag ook terugkomen op wat je eerder hebt gezegd.”  

Séverine vindt haar streven naar participatie in de eerste plaats belangrijk voor de relatie met haar kinderen. “Als ouder moet je beseffen dat je kinderen je meer nodig hebben dan je misschien denkt. Daarom wil ik hen tonen dat ik het meen, dat ik het beste voor hen wil en dat ik daarvoor in gesprek durf te gaan, met wederzijds respect. Die boodschap wil ik hen meegeven, als basis voor de relaties in hun leven.” 

Foto's
Jan Locus | Florian Van Eenoo