welzijn & zorg

'Kraamzorg is extra waardevol voor kwetsbare gezinnen'

Laagdrempelige gezinszorg voor gezinnen met een baby
25.10.2024
Foto's
Jan Locus

Heel wat prille ouders vinden vandaag hun weg naar kraamzorg, weten Ellen De Smet en Lenie De Wilde van het Departement Zorg. “Maar onze grootste uitdaging is de meest kwetsbare gezinnen te bereiken én vast te houden.”

Wie een baby verwacht, kan zich aanmelden bij een van de vele Vlaamse diensten voor gezinszorg. Deze staan in voor het geven van kraamzorg aan huis. 

Ellen De Smet, medewerker van het team thuiszorg bij het Departement Zorg, vertelt dat een kraamverzorgende thuis komt helpen, op een heel laagdrempelige manier, en dit zowel praktisch als financieel. De gebruikersbijdrage is immers inkomensgerelateerd. “Het is een specifieke vorm van gezinszorg, speciaal voor gezinnen met een pasgeboren kind. Ze kan beginnen voor de bevalling en loopt maximaal tot de baby drie maanden oud is. Eigenlijk kan een kraamverzorgende helpen bij alles wat van belang is om het gezin te doen draaien: de mama en het kindje verzorgen, boodschappen doen, oudere broertjes of zusjes van school halen. Maar er komt ook psychosociale ondersteuning bij kijken. De komst van een baby schudt je wereld door elkaar. Veel prille ouders zitten met allerlei vragen, waar de huisarts of vroedvrouw niet altijd voldoende tijd voor hebben. De kraamverzorgende komt meestal enkele uren aan een stuk, waardoor er wel tijd is om van gedachten te wisselen of je hart te luchten.”

De rol van kraamverzorgenden is de voorbije jaren alleen maar gegroeid, vult Lenie De Wilde aan. Ook zij werkt bij het team thuiszorg. “Na een bevalling blijven moeders gemiddeld korter in het ziekenhuis dan vroeger. Naar huis gaan met een pasgeboren baby kan erg spannend zijn, dus daarin speelt kraamzorg een belangrijke rol. Bovendien moeten we allemaal langer werken. Vroeger konden de grootouders makkelijk inspringen, maar vandaag zijn ze vaker zelf nog aan de slag.”

Wisselwerking

Elk gezin kan een beroep doen op kraamzorg, maar voor kwetsbare gezinnen is dit extra waardevol. En toch is het moeilijk om hen voldoende te bereiken, vertelt De Smet. “Er zijn veel verschillende vormen van kwetsbaarheid. Veel gezinnen hebben het financieel moeilijk, maar er zijn evengoed prille ouders met psychische problemen, of mensen die sociaal geïsoleerd staan. Hen bereiken we moeilijk, terwijl het net belangrijk is om in te zetten op preventieve hulp. Neem bijvoorbeeld een mama met een heel beperkt netwerk en een geschiedenis van psychische problemen. Zij zal meer kans hebben om een post-partumdepressie te krijgen, wat mogelijk kan uitmonden in een chronische depressie. Als we haar kunnen ondersteunen, bereiken we niet alleen haar, maar ook het kind en de rest van het gezin. Dan kan kraamzorg een fundamenteel verschil maken.”

Er is helaas geen tovermiddel om deze kwetsbare doelgroepen te bereiken, al wordt er wel nauw samengewerkt met Kind en Gezin, vertelt De Wilde. “Zij zijn echte pioniers in het bereiken van deze doelgroep. In een ideale wereld zou er nog meer samenwerking en wisselwerking zijn tussen Kind en Gezin, kraamzorg en partners uit de jeugdhulp, zoals de mensen achter Eén Gezin Eén Plan. Op dit moment lopen er enkele projecten waarin die verschillende organisaties als een triade samenwerken. Elke partner geeft signalen aan elkaar door. Zo kunnen de diensten voor gezinszorg nog preventiever aan de slag gaan, waardoor de escalatie van bepaalde situaties vermeden kan worden. Op lokaal niveau zijn al die diensten vaak een kluwen van verschillende partners, die elkaar te weinig kennen. We onderzoeken hoe we die samenwerking kunnen verbeteren.”

Niet pluis-gevoel

Kraamverzorgenden kunnen in gezinnen soms ook signalen oppikken die ‘niet pluis’ zijn. Allerlei situaties zijn denkbaar: van ouders die symptomen van een depressie vertonen, tot signalen van verwaarlozing. “Dit is zeker de minst evidente rol die onze verzorgenden moeten opnemen”, zegt De Smet. “Zo’n ‘niet pluis-gevoel’ is iets heel abstracts. Medewerkers hebben dus wel wat handvatten nodig om zo’n signaal op te pikken. Sommige diensten voor gezinszorg hebben er concreet ondersteuningsmateriaal voor. Het hangt af van dienst tot dienst. We zouden als overheid moeten faciliteren dat er nog meer kennis en ervaring wordt uitgewisseld. Als is dat zeker niet evident, want in principe zijn de verschillende diensten voor gezinszorg concurrenten van elkaar.” Kraamverzorgenden werken wel altijd in een team, ondersteund door een leidinggevende, vult De Wilde aan. “Bij die persoon kunnen ze steeds terecht om specifieke cliëntsituaties te bespreken en eventueel samen op zoek te gaan naar extra ondersteuning.”

Als we tot slot vragen naar de grootste uitdaging van de kraamzorg, dan is De Smet stellig: “De meest kwetsbare prille ouders bereiken en vasthouden, aansterken en weerbaar maken. Dit is trouwens iets waar verschillende sectoren mee worstelen. Daarvoor is een multidisciplinaire aanpak heel belangrijk. Al moet de cliënt altijd centraal staan. Door mensen mee te laten beslissen over hoe hun problemen aangepakt kunnen worden, creëer je veel meer draagvlak en maak je mensen sterker. De tijd dat de zorgverlener alleen besliste wat er moest gebeuren, ligt gelukkig achter ons.”