Opvang en begeleiding, meer dan vroeger op maat van de cliënt

Multifunctionele centra voor minderjarigen met een handicap

In de context van het Perspectiefplan 2020 voor een nieuw ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap van Vlaams minister Jo Vandeurzen startten vanaf januari 2012 de Multifunctionele Centra voor minderjarigen met een Handicap (MFC). Stephy Colla en Bea Maes van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin evalueerden de opstart van deze centra.

Het VN-verdrag voor de rechten van personen met een handicap veranderde onze kijk op personen met een handicap. Er is een ruimere omschrijving van wat een handicap is, waardoor meer mensen hulp (kunnen) vragen aan het VAPH. De focus ligt nu op participatie en volwaardig burgerschap, waar de perceptie vroeger eerder medisch en beschermend was. Het medisch model maakt dus plaats voor het burgerschapsmodel waarbij ‘kwaliteit van leven’ centraal komt te staan, met de klemtoon op mogelijkheden, persoonlijke autonomie en sociale solidariteit.

Meerwaarde van een MFC

Een eerste belangrijk besluit van het onderzoek is dat een multifunctioneel centrum heel wat kansen biedt, zowel voor de cliënten als voor de organisaties.

Cliënten hebben een grotere inspraak en keuzevrijheid in de ondersteuning die ze willen. Er is veel aandacht voor het verhelderen van de vragen van de cliënten zelf en voor het delen van de zorg met de ouders. Door mobiele begeleidingen kan er meer met en in de context van de cliënt gewerkt worden. Flexibele en gedifferentieerde ondersteuningstrajecten zijn mogelijk, waarbij verschillende functies gecombineerd worden om tegemoet te komen aan de noden en de wensen van de cliënt. Peter Verfaillie van Diensten- en Begeleidingscentrum OLO Brasschaat bevestigt dit: “We werkten altijd al zoveel mogelijk op maat van de cliënt, ook al voor we een MFC werden. Vroeger lieten de regels dit minder toe, nu kunnen we dit nog beter toepassen dan vroeger.”

Voor de organisaties is er ook meerwaarde: ze kunnen zich profileren als een breed ondersteuningscentrum met verschillende ondersteuningsvormen. Ze worden uitgedaagd om hun werking breder te ontwikkelen en sterker uit te bouwen. Personeel en samenwerking met andere organisaties kunnen daarbij versterkt worden. Ook dat is in OLO Brasschaat het geval. Verfaillie: “Vroeger hadden we één gezinsbegeleider voor twintig jongeren. Nu is dat verdubbeld naar één op tien. Daarvoor hebben we wel één leefgroep afgebouwd. We hebben nu een ‘tandem’ voor elke jongere: een contextbegeleider die de thuissituatie mee in het oog houdt, en een hulpverlener die de jongere in het MFC begeleidt. Dat beantwoordt meer aan de realiteit, want jongeren verblijven zowel bij ons als bij hun ouders thuis. Soms is het hard voor jongeren die niet zo vaak naar huis kunnen, maar dan wordt erover gepraat. We zoeken dan naar vrijwilligers of steungezinnen die een jongere af en toe willen opvangen.”

Gerealiseerde ondersteuning

Uit een vergelijking van gegevens van de eerste helft van 2013 met die van de eerste helft van 2011 blijkt dat er meer werd gedaan met dezelfde middelen voor hetzelfde aantal cliënten. Het aantal gerealiseerde ondersteuningsdagen ligt in lijn met de doelen die het beleid vooropstelde.

Verblijf heeft het belangrijkste aandeel in de functies van de MFC’s (57%), gevolgd door dagopvang (32%), dagbesteding (8%) en begeleiding (3%). Blijkbaar zijn er grote verschillen tussen de MFC’s. Die zijn te verklaren door de vroegere erkenning van de organisaties en de doelgroepen waar ze zich al op richtten. De onderzoekers bevelen aan het voltijds verblijf af te bouwen ten voordele van een grotere inzet van dagopvang, dagbesteding en een intensievere contextbegeleiding. Pleegzorg zou het residentieel verblijf kunnen vervangen voor een aantal jongeren met een handicap.

Perspectief van de cliënt

Voor ouders is residentieel verblijf soms nodig omdat de draaglast te groot wordt. De wensen van ouders liggen voor een groot deel in de lijn van wat de MFC-werking vooropstelt. Als jongeren met een handicap meer kansen moeten krijgen om thuis op te groeien, moet het hulpaanbod meer regionaal georganiseerd worden, en moeten er meer flexibele en tijdelijke ondersteuningsvormen aangeboden worden. Organisaties moeten hun best doen om het individuele aanbod dat nagestreefd wordt niet te laten belemmeren door organisatorische en groepsgerichte factoren. Cliënten zijn doorgaans goed geïnformeerd, maar het kan nog beter. De betrokkenheid is wisselend, en vaak is meer inspraak wenselijk.

Kritische succesfactoren

Het informeren en sensibiliseren van de minderjarigen en hun ouders is essentieel. Weten welke mogelijkheden er zijn is belangrijk om goed geïnformeerde keuzes te maken. Extra aandacht is nodig voor wie weinig draagkracht en een beperkt netwerk heeft. Hulpverleners kunnen nog meer overleggen met ouders en minderjarigen over hun wensen en noden.

Bepaalde aspecten van het hulpaanbod moeten ook een andere vorm en invulling krijgen dan vroeger. Leefgroepen zijn minder stabiel omdat jongeren sneller komen en gaan. Dit daagt de organisaties uit om nieuwe vormen van leefgroepwerking te verkennen. Verfaillie: “De groepen zijn minder stabiel, en gezinsbegeleiders helpen ook meer ambulant, samen met de ouders, in hun eigen milieu. Dat maakt ook dat sneller duidelijk wordt of onze hulp passend is, of dat er misschien ook extra hulp ingeroepen moet worden van bijvoorbeeld de psychiatrie.”

Meer en meer is er nood aan ‘zorgregisseurs’ die verschillende partners en functies in de zorg coördineren. Ook hier hebben de teams van OLO Brasschaat ervaring mee. Verfaillie: “Zorgregisseurs volgen het traject van een jongere op. Vanaf het moment dat ze 15, 16 jaar zijn, kunnen we beginnen praten over zelfstandig studiowonen of een terugkeer naar huis. We gaan dan ook het gesprek met de ouders aan, liever vroeg dan laat. We praten zoveel mogelijk over emotionele processen, zo open mogelijk. Anders ontploft het wel eens.”

Veranderingen hebben veel impact op het personeel. Vorming, bijscholing, intervisie en coaching zijn dan extra belangrijk. Interne procedures en systemen moeten aangepast worden, structuren en infrastructuren moeten veranderen. In OLO Brasschaat is elke begeleider gevormd om oplossingsgericht te werken. Verfaillie: “We merken dat het nodig is dit te onderhouden om niet terug te vallen in de oude systemen. We werken nu meer methodisch dan vroeger en begeleiden ons personeel daarin. De methodiek van ‘nieuwe autoriteit’ passen we vaak toe in onze werking. Dat wil onder meer zeggen dat we veel rekening houden met de context van de jongere en proberen een netwerk rondom hen te vormen. Daardoor komen ouders en kinderen vaak dichter bij elkaar.”