Vroeg en nabij

Naar een geïntegreerd beleid voor kinderen, jongeren en gezinnen

Minister Wouter Beke plant in 2022 een verdere ontwikkeling van het beleid voor kinderen, jongeren en gezinnen in het beleidsdomein welzijn, volksgezondheid en gezin, met enerzijds een verderzetting van de geplande investeringen, maar ook efficiëntere inzet van bestaande mensen en middelen. Ambities zijn om gezinnen veel sneller de nodige ondersteuning te bieden, en het bereik van de dienstverlening te vergroten, wachttijden voor de zorgtoeslag verkorten, en kinderen en jongeren die worstelen met mentaal welzijn beter bereiken.

Acht uitdagingen

De vele uitdagingen in de beleids- en begrotingstoelichting 2022 van de minister die betrekking hebben op het minderjarigenbeleid worden gebundeld in één integraal plan van aanpak. Dit plan houdt een aantal uitdagingen in. Zo moet er aan het begin van elk mensenleven – in de eerste 1000 dagen – meer geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van jonge kinderen én de ondersteuning van hun ouders. Die eerste 1000 dagen zijn namelijk cruciaal in de ontwikkeling, en investeren in deze periode brengt het meeste op op lange termijn. Daarbij is het belangrijk om in te zetten op het mentaal welzijn van de ouders, omdat dit bepalend voor het mentaal welzijn en van het kind en de hechting met de ouders. Kansrijk opgroeien start voor de geboorte, preventie begint wanneer er nog geen vragen zijn. De fusie tussen Jongerenwelzijn en Kind & Gezin is een mooi voorbeeld van de mogelijkheden die er nog zijn om gezinnen vroeger en beter te ondersteunen. Verdere ontschotting en samenwerking in zorg en welzijn zijn nodig én mogelijk. De coronacrisis versnelde dit proces. Het is nu het moment om dit verder te zetten. Verbinding is daarbij een van de kernwoorden: tussen ouders en kinderen, tussen gezinnen en hulpverleners, tussen gezinnen onderling.

Voor een effectieve zorg is het nodig dat alle actoren meewerken aan het versterken van basisvoorzieningen en preventie. De evolutie van de laatste jaren gaat in de richting van meer en meer gespecialiseerde hulp. Zonder af te doen aan de nodige versterking van de jeugdhulp, is het ook nodig dat de krachten gebundeld worden voor een betere preventie. Hoe vroeger er ondersteuning komt, hoe beter voorkomen kan worden dat problemen escaleren.

Deze ondersteuning moet er niet alleen vroeg komen, maar ook dichtbij wie het nodig heeft. Daarvoor moet hulpverlening in de eerste plaats aanwezig zijn, zonder daarom meteen andere doelen te stellen. Nabijheid en laagdrempeligheid vragen een denkoefening over waar die hulpverlening dan best een plaats krijgt: bijvoorbeeld in de Huizen van het Kind, de kinderopvang, of dienstencentra waar mensen mekaar ontmoeten. Vindplaatsgericht en outreachend werken, en naast professionals ook vrijwilligers inschakelen, zijn allemaal puzzelstukjes om het buurtgericht werken te realiseren. De zorgzame buurten (zie o.a. weliswaar.be/zorgzamebuurten) zijn op dat vlak alvast een stap in de goede richting.

De regie moet bij de ondersteuning altijd bij de gezinnen en kinderen zelf liggen. Het Groeipakket geeft al steun op maat voor elk gezin. Voor wie meer ondersteuning nodig heeft, wil Beke af van het wachtlijstdenken. Gezinnen moeten de zorg zelf kunnen organiseren op hun maat, met echte keuzemogelijkheden en keuzevrijheid en uitgaande van de kracht die ouders hebben en verantwoordelijkheid die zij zelf kunnen nemen.

Continuïteit is bij dit alles van groot belang. Dat impliceert een goede begeleiding van het traject van kinderen en hun gezinnen, met een goede diagnostiek en vraagverheldering vroeg in het proces. Alleen zo kan de impact op langdurige zorg – bijvoorbeeld bij kinderen met een handicap – ingeschat worden. Dit vraagt samenwerking tussen hulpverleners, maar niet alleen tussen hulpverleners onderling, maar ook tussen ouders en hulpverleners, en ouders onderling, pleegouders, mantelzorgers, grootouders… Hulpverleners nemen niet alles over, maar werken samen met kinderen en hun ouders, als partners.

Vragen hebben is normaal. We moeten af van het taboe dat rust op hulp vragen. Jeugdhulp mag normaal gevonden worden. Alleen met betere communicatie en transparantie kan de drempel om de stap naar hulp te zetten verlaagd worden.

Om dit alles te bereiken, zijn – zoals eerder aangehaald – extra investeringen nodig, daaraan wordt niet geraakt. Maar er is ook veel winst te boeken door te efficiënt samen te werken en schaarse middelen doelmatig in te zetten. Alleen zo kunnen dubbel werk, dubbele wachtlijsten en dubbele financiering vermeden worden. Om het werk werkbaar te houden, zal ingezet worden op verminderen van de werkdruk en een flexibele en innovatieve organisatie van de hulpverlening door multi-inzetbare hulpverleners.

Elementen van een blauwdruk

Het nieuwe geïntegreerd beleid wordt georganiseerd via een gelaagd systeem, afgebakend binnen de eerstelijnszones. Basisvoorzieningen zoals de Huizen van het Kind, OverKophuizen en kinderopvang spelen hierbij een belangrijke rol. Het Geïntegreerd Breed Onthaal biedt kansen om deze zorg laagdrempelig te organiseren. Voor het bovenlokale niveau wordt de gebiedsafbakening van ‘één gezin, één plan’ aangehouden. Trajectondersteuners worden ingeschakeld om vanaf jonge leeftijd het overzicht over de hulpverlening te behouden.

Het gezinsbeleid legde de afgelopen tien jaar steeds meer de nadruk op samenwerking en afstemming over alle levensdomeinen, en de regie verschoof van de aanbod- naar de vraagzijde. Nieuwe concepten van geïntegreerde preventie, zorg en ondersteuning moeten vorm krijgen in een nieuw kaderdecreet. Een aangepast erkennings- en financieringssysteem moet zorgen voor één erkenning waarin alle actoren die actief zijn in zorg en ondersteuning aan kinderen en gezinnen omvat zijn. Een nieuw beleid vraagt ook om een nieuw kwaliteitsdecreet, ontwikkeling en delen van kennis op verschillende niveaus en een bijhorende digitale transformatie.

Strategische cirkels en bijzondere thema’s

Zes kernteams met experten zullen in de eerste helft van 2022 samenzitten in vier strategische cirkels en rond twee bijzondere thema’s. Deze cirkels geven concrete invulling aan de doelstellingen en elementen van de blauwdruk en staan symbool op de circulaire visie op ondersteuning.

Een eerste cirkel zal de lokale netwerken verder uitwerken, met als bijzonder thema de kinderopvang, die een belangrijke rol zal opnemen in het geïntegreerde gezins- en jeugdbeleid. Een tweede cirkel ontwikkelt één globale erkenningsvorm en de bijhorende financieringsvoorwaarden. De derde cirkel buigt zich over inschaling en diagnostiek. Een laatste cirkel bekijkt hoe verschillende expertises (crisis, verontrusting, diagnostiek en beeldvorming, zorgbemiddeling) een plek krijgen in bovenlokale netwerken, met als bijzonder thema hierbinnen het continuüm van ondersteuning bij de overgang naar volwassenheid. 

Het hele proces wordt mee getrokken en ondersteund door de leidend ambtenaren van Zorg en Gezondheid, Opgroeien, het VAPH en het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. 

Medio 2022 wil minister Beke met de resultaten in de vorm van een conceptnota die de basis legt voor een nieuw geïntegreerd beleid naar de Vlaamse Regering.