Cijfers als katalysator voor beleid

Nieuwe daklozentelling toont meer dan topje van de ijsberg

In 2020 nam Leuven het initiatief om de dak- en thuislozen in de stad te tellen. Andere steden en regio’s volgden. Op basis van de resultaten worden initiatieven genomen om huisvesting, opvang en hulpverlening aan te passen. Koen Hermans legt uit hoe de tellingen uitgevoerd worden en waarom ze zo belangrijk zijn.

“Er waren eerder al tellingen van dak- en thuislozen”, steekt Koen van wal. “Maar toen lag de focus vooral op mensen die gebruik maakten van nachtopvang en andere specifieke diensten voor dak- en thuislozen. Sinds 2020 houden we rekening met meer criteria. We tellen ook mensen die buiten slapen en geen hulp vragen, mensen die in een garagebox of op een camping slapen, of bij vrienden of familie op de zetel. In onze tellingen gaan we uit van zeven types van dak- en thuisloosheid.”

Na Leuven volgden Gent en de provincie Limburg. In Wallonië ging het om Luik en Aarlen, met de steun van de Koning Boudewijnstichting, die meteen overtuigd was van ons onderzoek. “De resultaten hebben heel wat teweeggebracht”, aldus Koen. “Maar om het beleid nog verder te overtuigen waren er nog extra tellingen nodig. Dus zijn we ook gaan tellen in Zuid-West-Vlaanderen, in de regio rond Vilvoorde, en in Namen en Charleroi. In Brussel is er al langer een sterke straattelling. We werken nu samen om de methodologieën op elkaar af te stemmen, zodat we tot Belgische cijfers kunnen komen. We moeten als land aan de OESO rapporteren, maar dat kunnen we op dit moment niet met eenvormige cijfers.”

Dé dakloze bestaat niet

“In elke stad zijn er tientallen diensten die helpen tellen”, gaat Koen verder. “Vrijwilligers, straathoekwerkers, gevangenissen, eerstelijnsdiensten zoals CAW en OCMW, huisvestingsmaatschappijen en de psychiatrie. Elke organisatie heeft een stukje van de puzzel in handen. Als we die samenleggen, krijgen we een overkoepelend beeld van het probleem. Dak- en thuisloosheid is een ijsberg waarvan we slechts het topje zien. Vaak denken organisaties dat ze geen dak- of thuislozen kennen. Maar als we even doorvragen, kennen ze meestal toch wel iemand die in een precaire omgeving woont, zoals een kamer boven een winkel zonder elektriciteit of stromend water. Het cliché wil dat de dakloze een oudere man is die op straat slaapt en een alcoholprobleem heeft. Die zijn er zeker, maar door de profielen goed te gaan bekijken in onze telling, krijg je toch een veel diverser beeld. Zo kan het beleid ook aangepast worden aan die diversiteit. Dé dakloze bestaat niet.”

Niet enkel curatief, ook preventief

Door meer categorieën te tellen, komen er groepen in beeld die eerder onzichtbaar waren. “Vrouwen en 18- tot 25-jarigen zijn veel meer aanwezig dan we voordien dachten”, legt Koen uit. “Het is een manier om het debat weer aan te zwengelen en de aanpak van dak- en thuisloosheid nieuw leven in te blazen. Op dit moment is het beleid vooral opvang- en crisisgericht en curatief. Maar met deze cijfers kan je ook preventief werken. We zien dat mensen die een instelling verlaten vaak dakloos worden, of dat mensen langer in de psychiatrie blijven dan nodig omdat ze geen woonoplossing hebben. Of zestigplussers die allang huurden, van wie de huisbaas niet langer wil verhuren, en die niet weten hoe ze op zoek moeten gaan naar een nieuwe woning.”

Koen Hermans, onderzoeker LUCAS KULeuven: “Door te kijken naar de meest kwetsbaren, kan je zien hoe ons systeem werkt en voor wie het niet werkt.”

Cijfers en acties

Leuven was een van de eerste Vlaamse steden om een grootschalige telling te organiseren. De stad koppelde er na de resultaten meteen acties aan vast. “Leuven wilde al langer een meer afgestemde aanpak tussen de verschillende diensten en organisaties. De telling is echt een katalysator geweest”, verklaart Koen. “Veel diensten samenbrengen is ideaal voor een stad die dit wil aanpakken. Binnenkort willen ze opnieuw tellen en zal misschien al blijken wat de eerste acties hebben opgeleverd. De stad kocht een extra gebouw aan voor winteropvang, startte een aantal Housing First-initiatieven en zorgde voor opvang voor jonge daklozen in de Abdij van Vlierbeek. Ook in andere regio’s beweegt er van alles. Het brengt nuance in de beeldvorming. Het feit dat we lokale cijfers hebben, betekent ook dat niet langer ontkend kan worden dat deze ­mensen er zijn. Voorheen werd vaak gedacht dat het enkel een grootstedelijk probleem was, maar dat is niet zo. Door de profielen uit te breiden, merken we dat er overal dak- en thuislozen zijn.”

“Hulpverleners krijgen soms wat eelt op hun ziel en hebben vaak alleen maar tijd en ruimte voor de ‘ergste’ gevallen. Wie nog wel een dak heeft, maar geen thuis, staat dan soms niet bovenaan de prioriteitenlijst. Vaak worden mensen gevraagd of ze geen oplossing kunnen vinden bij vrienden of familie. Het netwerk van deze mensen is echter al broos, en als je het op deze manier op de proef stelt, gebeurt het dat door spanningen ook deze banden worden verbroken.”

“Dakloosheid is een ijsberg, en raakt aan zo veel delen van de maatschappij: toegang tot huisvesting en werk, hulpverlening, psychische problemen of verslavingsgevoeligheid, soms verstandelijke beperkingen. Vaak wordt er in hokjes gedacht en wordt hulp in hokjes georganiseerd. Door te kijken naar de meest kwetsbaren kan je goed zien hoe ons systeem werkt, maar ook voor wie het systeem niet werkt. We hopen het beleid uit te dagen met deze cijfers om oplossingen ten gronde te vinden voor deze groepen mensen.”

www.dakenthuisloosheid.be

Foto's
Lisa Develtere