'De mens is zowel een vliegend paard als een oude knol'

Psychiater An Haekens kijkt naar de toekomst van de ouderenzorg

We zijn geen supermensen. Zeker niet als we wat ouder worden. In plaats van weg te kijken, pleit ouderenpsychiater An Haekens ervoor om kwetsbaarheid bij onszelf en anderen te aanvaarden. Weliswaar sprak met haar over wat zij ziet als de grote uitdaging voor de toekomst: verbinding.

An Haekens is medisch directeur in de Alexianen Zorggroep Tienen. Ze werkt als psychiater en psychotherapeut al heel lang met ouderen. Vorig jaar werd ze voor haar inzet nog onderscheiden met de Prijs voor de Spirituele Zorg, uitgereikt door de Beroepsvereniging van Zorgpastores. Als ouderenpsychiater heeft ze er bij herhaling voor gepleit om met meer mildheid naar onszelf en naar onze oudere medemensen te kijken.

Hoe ziet u de toekomst van de zorg?

An Haekens: “Voor ons, medewerkers van de Alexianen Zorggroep Tienen, is verbinding het thema van de toekomst. In alle betekenissen van het woord en op alle niveaus. Alles zelf blijven doen in de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ), dat gaat niet lukken. Er zijn meer zorgvragen en -noden. Meer mensen verouderen. Er zijn meer chronische aandoeningen. Het is niet realistisch om te denken dat we met de professionele zorg, de GGZ of de psychiatrie al die problemen zullen oplossen.”

“In de psychiatrie zie je de evolutie naar netwerkpsychiatrie. Dat is herstelondersteuning die niet alleen klinisch herstel nastreeft, maar ook persoonlijk en maatschappelijk herstel. Het is eigenlijk een vorm van sociale psychiatrie. Hoe kunnen we een netwerk vormen? Hoe kunnen we het bijvoorbeeld regelen dat er ook meer niet-professionele zorg wordt ingezet.”

“Er zal in de toekomst ongetwijfeld ook meer intersectoraal worden gewerkt. Dat principe wordt nu al toegepast in zorgzame buurten, waar mantelzorgers, actieve senioren en allerhande vrijwilligers samenwerken. Dat ligt in de lijn van we ontwikkeling die we meemaken met de vermaatschappelijking van de zorg.”

Uw toekomstbeeld is gebaseerd op uw praktijkervaring als psychiater. Maar verwachten veel mensen net niet dat de overheid meer problemen oplost?

“Ik voer een pleidooi voor meer solidariteit in de samenleving. Je kan je afvragen of alle problemen opgelost moeten worden. Niet alles moet gemedicaliseerd worden, een boodschap die mensen als Damiaan Denys, Dirk De Wachter en Paul Verhaeghe al heel lang brengen. Niet alle onbehagen, niet elke vorm van psychisch lijden, niet elk ongemak is pathologie. Tegelijkertijd mogen we al die zorgvragen niet banaliseren. We moeten mensen ernstig nemen en hun klachten oppakken, ook om te voorkomen dat een behandelbaar probleem een vorm van ernstig lijden wordt.”

“Zoeken naar evenwicht is de boodschap. De veerkracht van mensen vergroten. Mensen zijn vaak sterker dan ze denken en kunnen best wel tegen een stootje. Niet iedereen hoeft in therapie te gaan. Onbehagen vormt nu eenmaal een stuk van het leven.”

“Ik denk dat we in een transitie zitten. We zijn wat doorgeschoten in het hele discours rond autonomie, zelfbeschikking en maakbaarheid. Die individualisering staat onder druk. Daar heeft corona wel een duw aan gegeven. Thema’s als kwetsbaarheid krijgen vandaag veel aandacht. Je merkt ook dat er meer bekende mensen over getuigen. Er mag eindelijk over gesproken worden. Als het echter gaat over kwetsbaarheid bij het ouder worden, over afhankelijk en ziek worden, dan merk je dat die gesprekken ongemakkelijk verlopen. Daar is de visie duidelijk nog onvoldoende veranderd.

In een opiniestuk over dementie in De Standaard (14 december 2021) schreef u: “Door de snelle vergrijzing van de bevolking zullen we steeds vaker met dementie te maken krijgen. We zullen ‘vrede’ moeten leren nemen met de aandoening, er op een andere manier mee moeten leren omgaan. We hebben­ solidariteit nodig.”

Wat u verontrust is dat we die ziekte problematiseren en dus wegduwen.

"Dementie wordt vaak eenzijdig negatief benaderd. Veel mensen gebruiken ook oorlogsretoriek, alsof we vooral moeten strijden tegen dementie. Ik vind dat mensen met dementie hun plaats in de samenleving moeten kunnen behouden. Zolang oudere mensen actief zijn, is er niets aan de hand. Wat er daarna komt, wordt als een probleem ervaren.”

Hoe zouden we de solidariteit met ouderen kunnen vergroten?

“Er is zeker nood aan concrete projecten die generaties met elkaar verbinden. Die projecten zijn door corona gestopt en moeten weer op gang komen. Een beproefde methode om solidariteit te vergroten is ervoor zorgen dat mensen elkaar leren kennen. Je moet de mogelijkheid organiseren dat mensen elkaar tegenkomen. Op die manier verdwijnen vooroordelen. Bij zorg en welzijn heb je uiteraard heel wat professionele partners die hierrond projecten kunnen opzetten, zoals de zorgzame buurten.”

“Je zou haast een uitzendkantoor voor senioren kunnen maken. Er zijn heel veel senioren die nog iets willen betekenen, maar zich niet aangesproken voelen door het klassieke vrijwilligerswerk. Maar misschien willen ze af en toe wel babysitten, kinderen begeleiden bij huiswerk of pannenkoeken bakken. Je moet manieren vinden om oudere mensen actief te laten zijn, om de wisselwerking tussen generaties te vergroten. Als professionele hulpverleners zouden we zulke initiatieven mee kunnen faciliteren. Kleine acties van solidariteit zijn belangrijk. Heel wat mensen willen wel iets doen, maar weten niet hoe ze aan dat engagement een vorm moeten geven.”

“Neem nu mensen die thuis zorgen voor een familielid met dementie. Als er daar meer vrijwilligers zouden kunnen inspringen, dan zouden die families meer tijd voor zichzelf kunnen maken en zouden ze hun mantelzorg langer kunnen volhouden. Er zijn uiteraard al organisaties die hierbij helpen, maar je moet ze wel kennen en vinden. Op dit punt is er nog heel wat maatschappelijke winst te boeken.”

Doordat we gemiddeld ouder worden dan vroeger, is het niet zo duidelijk tot welke groep we behoren. Er bestaat niet zoiets als ‘de oudere’.

“Het is inderdaad de eerste keer in de geschiedenis dat we zo’n lange laatste levensfase beleven. We weten als samenleving niet zo goed hoe ermee om te gaan. Ook het woonaanbod is niet afgestemd op de diversiteit van behoeftes. Er zijn mensen die lichamelijk nog heel goed zijn, maar niet meer alleen willen wonen. Die mensen willen niet naar een woonzorgcentrum. Beschut wonen is ook niet wat ze zoeken. We hebben een meer gedifferentieerd woonaanbod nodig.”

“Er zijn zeventigers die in slechtere toestand zijn dan tachtigers. Als je het geluk hebt tachtig, of zelfs negentigplusser te zijn, dan vermindert uiteraard je mobiliteit en je snelheid, maar ik volg in mijn praktijk toch best wat ouderen die nog meekunnen. Ze kunnen net nog zelfstandig thuis wonen. Ze horen ook niet in een woonzorgcentrum thuis.”

Wat is volgens u het effect van sociale ongelijkheid op ouderdom?

“Het grootste probleem vormen de mensen die wel naar een woonzorgcentrum zouden moeten gaan, maar het niet kunnen betalen. Dat levert schrijnende thuissituaties op. Er wordt gelukkig veel geïnvesteerd in thuiszorg, maar sommige mensen moeten echt onderdak kunnen vinden in een woonzorgcentrum. Ik denk dat we moeten blijven investeren in residentiële zorg. Niet alle mensen zijn geholpen met thuiszorg. Het is en-en.”

“Neem nu oudere mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Mensen die heel hun leven ziek zijn geweest. Ik ken het geval van iemand die al decennialang schizofreen is, die nu oud is geworden, cognitief helemaal verbrokkeld is, en toch nog thuis woont. Zo’n oud geworden EPA-patiënt (ernstige psychiatrische aandoening, nvdr.) past eigenlijk nergens in. Waar moet die naartoe? De familie vangt de patiënt op. De patiënt komt naar ons dagcentrum, maar past niet echt in een woonzorgcentrum. In de PVT’s (psychiatrisch verzorgingstehuis, nvdr.) is geen plaats. Daar proberen ze ook de gestabiliseerde oudere EPA-patiënten door te sturen naar de woonzorgcentra.”

Niet iedereen heeft de middelen om thuis te blijven.

“Sommige mensen leven in armtierige omstandigheden. Als je zo oud wordt en op de sukkel geraakt, dan heb je meestal toch een groot probleem. Er is geen geld om de woning aan te passen, waardoor ze regelmatig in het ziekenhuis belanden."

“Vroeger bleven die EPA-patiënten in de ziekenhuizen, vandaag niet meer. Dat is op zich een goeie zaak, maar ze botsen wel op woonproblemen. Ik hoor van de collega’s van de vermaatschappelijkte zorg dat jonge EPA-patiënten begeleid wonen vaak niet zien zitten en eigenlijk liever in een flat tussen anderen verblijven. Ze willen gevolgd worden door een team van begeleid wonen. Er zijn best wat patiënten die dat aankunnen, eventueel aangevuld met dagopvang of zinvolle dagactiviteiten. Als we rond die mensen een beschermende schelp bouwen, dan kunnen ze een zo normaal mogelijk leven leiden.”

Het zou geen stigma mogen zijn dat je hulp krijgt.

“Het is alsof je geen volwaardig mens meer bent, zodra je afhankelijk wordt van hulp. Van dat vooroordeel moeten we af. Er is een citaat van filosoof Søren Kierkegaard dat me altijd is bijgebleven. Hij beschrijft de mens als een koetsier die tegelijkertijd een oude, afgematte knol én een vliegend paard bij elkaar moet houden. Vandaag zijn we te veel het een of het ander. We hebben geen evenwicht gevonden. We moeten een vliegend paard zijn, een pegasus, en bij de minste kwetsuur belanden we bij de oude knollen. De samenleving ziet die oude knollen niet graag.”

“Het kan best anders, zoals een recente documentaire over zanger Rob de Nijs toonde. Je ziet hem tijdens een optreden in het Sportpaleis in al zijn kwetsbaarheid, je hoort hoe zijn zangstem breekt en hoe hij er zich toch over probeert te zetten. Ik vind het heel sterk hoe hij over zijn kwetsbaarheid getuigenis aflegt. Dit helpt mensen om na te denken over afhankelijkheid. Veel kwetsbare mensen schamen zich omwille van wat hen overkomt. Dat is toch verschrikkelijk, dat je je terugtrekt uit schaamte voor je aftakeling?”

Is alleen de ouderdom zo’n problematisch schakelmoment?

“Ik denk dat je als patiënt ook lastige momenten kan meemaken in de overgang tussen jeugd- en volwassenenpsychiatrie. Als je 18, 19, 20 jaar oud bent, dan ben niet altijd al volwassen. Je ziet dat steeds meer organisaties daarop beginnen in te zetten. Hetzelfde risicomoment heb je tijdens de transitie van volwassenen naar ouderen. We moeten vermijden dat die overgang een breuk teweegbrengt. Er moet continuïteit van zorg zijn, daarom is het goed dat de leeftijdsgrens is weggevallen.”

“Wat ik mooi vind aan ouderenpsychiatrie is dat ons werk een effect heeft op de volgende generaties. Zelfs oudere patiënten met verslavingsproblemen kan je bijvoorbeeld nog helpen om enkele laatste, rustige levensjaren mee te maken. Als dat lukt, dan ontlast je de familie. Je investeert als ouderenpsychiater ook in de jongere familie van de oudere patiënt.”

“Het intergenerationele blijft enorm belangrijk, kijk maar naar het belang van de zogenaamde kopp-werking. Kinderen van ouders met psychiatrische problemen vormen een grote risicogroep. Het is belangrijk om de familie meteen te betrekken bij behandeling. Zorg zit ook in de context van de patiënt. De vraag is: wie kan er allemaal bij de behandeling betrokken worden?”

Uit cijfers van Ouderenzorg blijkt dan één op vijf 65-plussers met psychische problemen kampt. Zit er een evolutie in die cijfers?

“De vraag is: wat versta je onder een psychisch probleem? Rouw is voor mij geen psychische aandoening, maar het kan wel psychisch lijden opleveren. Ik heb al vaker gemerkt dat mensen geen blijf weten met rouw. Een tijd geleden onderzocht ik een bewoner van een woonzorgcentrum die depressief was, maar die bewoner maakte gewoon een rouwperiode door. Het is goed dat zo’n problemen sneller worden opgemerkt, want vroeger dacht men snel: depressief zijn hoort bij ouderdom. Maar er zitten heel veel schakeringen tussen rouw en een klinische depressie. Als je ouder wordt, heb je nu eenmaal veel verlieservaringen. Stel dat je oud bent, thuis valt, in een ziekenhuis terechtkomt en meteen daarna in een woonzorgcentrum. Je leven wordt op korte tijd volledig door elkaar geschud. En dan zou je niet verdrietig mogen zijn? Het kan toch niet anders dat je dan een heel verwerkingsproces doormaakt."

“Het is goed dan men in een woonzorgcentrum minder dan vroeger gefocust is op het taakgerichte. Men dacht vroeger: ‘Als iemand proper gewassen is en zijn pillen heeft gehad, dan is onze taak voorbij.’ Vandaag hebben we gelukkig meer aandacht voor psychisch welzijn. Praten met mensen, hen aandacht geven: dat is ook werken."

Bij 75-plussers spreekt ouderenzorg van één op drie mensen men psychische problemen. Maar dat zijn dus niet allemaal mensen met bijvoorbeeld een bipolaire stoornis.

“Absoluut niet, hoewel je uiteraard EPA-patiënten hebt die ouder worden of mensen die pas op latere leeftijd een groot psychisch probleem ontwikkelen. In die groep psychische problemen zitten veel mineure depressies tussen of angststoornissen, die vaak nog onderschat worden. De diagnose angststoornis is niet zo eenvoudig bij oudere patiënten. Je hebt bijvoorbeeld heel veel mensen met valangst. We zijn met zijn allen op een bepaalde manier ook te helpend: we ondersteunen meteen wie wankel stapt. Daardoor zie je die valangst minder. Verslaving op oudere leeftijd is ook een belangrijk probleem (check voor cijfers website van VAD). Het zijn senioren die het meest dagelijks drinken. En dan heb je uiteraard nog de ouderen die cognitieve problemen krijgen. Dat risico neemt uiteraard toe met het ouder worden.

U legt vaak het verband tussen angststoornissen en een zeker aanvoelen van zinloosheid. Mensen hebben dan niet meer het gevoel dat ze hun leven nog een betekenis kunnen geven.

“Uiteindelijk draait het daarom. Wat doe ik hier nog? Hoe kan ik nog voor iemand iets betekenen? Hoe haal ik nog zin uit mijn leven? Daar werken we heel vaak rond in de begeleiding, ook al worden mensen vaak met een verslaving of een depressie opgenomen. De meeste ouderen slagen er wel in om een nieuwe rol te vinden, bijvoorbeeld als grootouder of als vrijwilliger. Tijdens de coronaperiode hebben mensen ten volle beseft hoe al die kleine dingen, telefoontjes en bezoeken, hun leven een zin geven en hoe ze die nodig hebben." 

Wat zou u onthouden uit de campagne ‘kopzorgen verdienen zorg’ (kopzorgen.be)?

“In het suïcide-onderzoek wordt onderzocht waarom mensen niet meer willen leven. Er is volgens mij een heel interessante theorie, genaamd ‘interpersonal theory of suicide’. In die theorie staan twee begrippen voorop. Er wordt gesproken over ‘belongingness’, het verlangen om ergens bij te horen, en ‘burdonsomeness’, het gevoel een last te zijn. Als je die twee gevoelens hebt, dan loopt je meer kans op suïcide. Dat zijn net de gevoelens waar oudere mensen mee worstelen. In welke mate hebben ouderen nog het gevoel dat ze een plek in de samenleving hebben. Het gaat zeker niet alleen om de familiale context.”

“We moeten veel meer aandacht besteden aan de beeldvorming rond kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Als je met mensen spreekt over een dementiediagnose dan is het eerste wat ze zeggen: ik wil geen last zijn voor mijn familie, voor mijn kinderen. Als een samenleving alleen maar spreekt over de tsunami van de vergrijzing en last van dementie, dan internaliseren mensen dat negatieve gevoel. Dat moeten we keren."

Hoe hebt u de passage in de coronaperiode beleefd waar ouderen werden beschreven als ‘het dorre hout van de samenleving’?

“Dubbel. Ik herinner me iemand die helemaal aan het begin van de lockdowns opmerkte: de woonzorgcentra gaan op slot en we hebben nog nooit zoveel aandacht gekregen. Dat was mooi. Toen er sprake van was dat oudere patiënten geen plaats meer zouden krijgen in de afdeling spoedbehoevende hulp ontstond er heel wat maatschappelijke verontwaardiging. Ook dat was hartverwarmend, maar slechts tijdelijk. Het beeld van woonzorgcentra is negatief. Wie wil er nog werken? Het wordt een hele klus om dat beeld weer te keren.”

Foto's
Jan Locus