Eén gezin, één plan

Een actieonderzoek van het Expertisecentrum Krachtgericht Sociaal Werk (KdG Hogeschool)

 

Met de hertekening van het jeugdhulplandschap door het decreet integrale jeugdhulp wil de Vlaamse overheid dat kinderen, jongeren en hun gezin vlot toegang vinden tot de jeugdhulp. Elke hulpvraag moet zo snel mogelijk en in zo weinig mogelijk stappen toegeleid worden naar het meest passende beschikbare hulpaanbod. Het Expertisecentrum Krachtgericht Sociaal Werk van de Karel de Grote Hogeschool voert een actieonderzoek waarbij samen met begeleiders van één gezin, één plan wordt bekeken hoe zij vorm geven aan hun opdracht.

Dit opzet werpt vruchten af; meer kinderen, jongeren en hun gezinnen maken gebruik van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Maar het legt ook hiaten bloot; de weg naar de gepaste hulp is niet altijd even vlot. De continuïteit van de hulp loopt vaak mank omdat de doorstroom hapert o.a. door wachtlijsten voor de ‘gepaste hulp’ (jaarverslagjeugdhulp.be/2016). 

Vlaanderen stuurt dit bij door in te zetten op laagdrempelige, innovatieve samenwerkingsverbanden tussen voorzieningen in de jeugdhulp. Sinds 2018 gingen onder de naam “één gezin, één plan”, 15 regionale samenwerkingsverbanden van start. (Jeugdhulp Vlaanderen, 2017). Begeleiders uit deze verschillende organisaties werken samen in multidisciplinaire teams. Door uitwisseling van kennis en expertise trachten ze sneller gepaste hulp te bieden (Op de Beeck, e.a., 2015; Van Goor & Naber, 2016). De concrete realisatie van deze laagdrempelige jeugdhulp is een uitdaging die elk regionaal samenwerkingsverband binnen de krijtlijnen van de Vlaamse oproep kan invullen.

Hoewel samenwerkingsverbanden gelijkaardige principes voorop stellen, leggen ze verschillende accenten in de concrete vertaling zowel voor de organisatiestructuur als in het verloop van het begeleidingsproces. Er wordt gewerkt met een ‘intersectoraal begeleidingsteam’, maar de organisatie van dit team kent veel variatie. In sommige samenwerkingsverbanden wordt, in overleg, een aanmelding georiënteerd naar een begeleider in een partnervoorziening en komen begeleiders sporadisch samen voor intervisie in een intersectoraal teamoverleg. Andere samenwerkingsverbanden zetten in op een zelfstandig intersectoraal team met begeleiders uit de verschillende partnerorganisaties.

Waarom worden gezinnen aangemeld bij één gezin, één plan?

Diensten uit de brede instap zoals CLB’s, Kind & Gezin, CAW’s, maar ook probleemgebonden diensten zoals CKG, contextbegeleiding, crisishulp en werkingen op de eerste lijn, vinden hun weg naar de aanmeldpunten van één gezin, één plan. Een eerste blik op de gezinnen die worden aangemeld, toont dat één gezin, één plan een brede doelgroep bereikt van gezinnen met kleine kinderen tot +18-jarigen die de overstap naar zelfstandigheid maken. Gezinnen worden dan ook niet aangemeld omwille van een specifieke opvoedingsvraag maar omdat zij, evenals de betrokken hulpverleners, vastlopen in het versnipperde aanbod van de hulp. Met de aanmelding zoeken diensten een kortlopende ondersteuning in de weg doorheen of naar de gepaste hulpverlening. 

"Zo was er sprake van een gezin waarbij een aanvraag werd gedaan voor de middelste zoon die een autismespectrumstoornis had, maar bij verdere gesprekken bleek dat het gezin een beperkt netwerk had, de mama kanker, de papa gezondheidsklachten. Voor dit gezin lijkt er geen aangepaste hulpverlening. Dus door één gezin, één plan wordt deze vraag opgenomen en vertrekt men om te kijken wie wat kan ondersteunen." (begeleider)

Dit heeft meestal te maken met de complexe noden van gezinnen die niet in één vak van het bestaande hulpaanbod passen. Doorverwijzen naar de ‘gepaste hulp’ is niet mogelijk zonder het uitzuiveren van de noden en het in kaart brengen van de aanwezige ondersteuning. Dan pas wordt duidelijk welke hulp het gezin noodzakelijk vindt.

We zien dat in deze gezinnen vaak veel hulpverleners betrokken zijn, maar dat het overzicht zoek is.

“Evengoed kan je dat formuleren als een gezin met verschillende zorgen en verschillende hulpvragen waar dat iedereen fragmentarisch op het gezin wel iets kan doen, maar waarbij er eigenlijk niemand meer het geheel bewaakt. Het gaat vaak over gezinnen die zelf niet meer zien wat er met hen gedaan wordt. En die toch, ondanks het feit dat er zoveel hulpverlening actief is bij het gezin, toch niet het gevoel hebben dat er iets gedaan wordt aan hun kern bezorgdheid.” (aanmelder)

Er is nood aan coördinatie van de hulpverlening zodat het voor de gezinnen opnieuw duidelijk is bij wie ze terecht kunnen voor welke vorm van ondersteuning. Ook voor het uitklaren van dit overzicht doen aanmelders beroep op de begeleiders van één gezin, één plan.

“Contacten met andere betrokken hulpverleners? Goed, het is mijn taak om dat te coördineren. Het is dus ook de taak van één gezin, één plan om de hulpverlening op mekaar af te stemmen, om netwerktafels te organiseren, om die mensen bij elkaar te brengen zodat we elkaar leren kennen en er onderlinge afstemming is, zodat we geen dubbel werk doen.” (begeleider)

Gezinnen die wel doorverwezen worden naar specifieke hulp maar daar op een wachtlijst terecht komen, hebben soms nood aan ‘overbruggingshulp’. Voor het gezin staat de begeleidingstijd stil, maar de problemen niet met het risico tot een escalatie. Begeleiders van één gezin, één plan worden aangesproken om de draagkracht van het gezin te versterken tijdens de wachtperiode.

"Een gezin dat al op een lange wachtlijsten stond voor contextbegeleiding. Er waren bij de ouders vragen op verschillende domeinen (vragen over administratie, pedagogische vaardigheden, …). Eén gezin, één plan kon aan de slag met deze algemene vragen in afwachting van de specifieke contextbegeleiding." (begeleider)

Bovendien maakt het snel opnemen van de vraag – altijd binnen de maand- dat escalatie van problemen kan voorkomen worden.

“Het is heel belangrijk als we met een bezorgdheid vanuit onze dienst zitten, dat er heel snel iets opgestart kan worden. In de piste die we intern hebben bekeken, was het niet mogelijk om binnen een maand of twee maand, drie maanden iets op te starten. Dat vonden we te lang om te wachten. Daarmee dat we het team één gezin, één plan hebben ingeschakeld om direct te starten. Om die vraag samen te bekijken.” (aanmelder)

 

Specifieke methodische uitgangspunten vragen om een nieuwe begeleidersrol

De opdracht en het kader als intersectorale werking vraagt om nieuwe handvaten en methodische kaders om de specifieke invalshoek van de werking te onderbouwen. Voor de methodische invulling kijken de meeste samenwerkingsverbanden naar onze noorderburen waar de werkvorm één gezin, één plan al een hele tijd wordt ingezet. Daarin wordt uitgegaan van de krachten van het gezin en het actief betrekken van de aanwezige hulpbronnen in en om het gezin. Begeleiders van één gezin, één plan waken erover dat het gezin of de jongere de regie over het proces behoudt. Het gezin bepaalt mee de doelen van de begeleiding, geven aan wie betrokken wordt en welke hulpverleners ingeschakeld worden. Met de vele hulpverleners betrokken op een multiproblemgezin, eventueel met ondersteuners uit het netwerk van het gezin of de jongere, wordt een gezamenlijk plan gemaakt met aandacht voor verschillende levensdomeinen (Bolt, 2015; Gilsing e.a. 2018).

 

Deze specifieke methodische uitgangspunten vragen van de begeleiders binnen één gezin, één plan een nieuwe rol als coach, facilitator en zorgcoördinator. Bovendien is de generalistische benadering breder dan de aanbodgestuurde begeleiding die ze vanuit hun moederorganisatie kennen. Begeleiders één gezin, één plan zijn zoekend in hun nieuwe rol, maar maken daarbij wel duidelijk een onderscheid tussen de rol van procesbegeleider en rol die zij opnemen als hulpverlener binnen de moederorganisatie. Bij deze laatste gaan ze eerder in op de inhoud van de opvoedingsproblematiek en bieden ze meer gespecialiseerde hulp. Als procesbegeleider binnen één gezin, één plan zullen ze het gezin vooral steunen in het zoeken naar een eigen strategie om met de situatie en noden om te gaan.

“Het is meer een procesbegeleiding dan echt constant inhoudelijk dingen gaan oppakken. Maar het is wel telkens die wisseloefening. Faciliteren of inhoudelijk hulp verlenen. Voor mij is het een beweging. Het is een beetje van het een, een beetje van het ander, het is een dubbele rol eigenlijk.”

 

Het starten vanuit de regie en de kracht van het gezin vormt daarbij een centraal uitgangspunt. Voor de begeleiders is het principe niet nieuw. In nagenoeg alle voorzieningen is er aandacht voor de inbreng van het gezin of de jongere. Maar omdat ze binnen de werking van één gezin, één plan’ niet gebonden zijn aan een module of protocol, is er meer ruimte om echt vanuit de vraag van het gezin te starten. Er is minder druk om zelf hulpdoelen te formuleren en meer ruimte om het proces soepel aan te passen aan de noden en het ritme van het gezin.

Minder vanuit wat een voorziening aanbiedt, maar eerder ‘wat is voor dat gezin van belang’, en dat je daarin zoekt, om dat helder te krijgen”. (begeleider)

“Ik heb gehoord bij de intake dat ze samen met het gezin bekijken welke vragen ze hebben, wat is er belangrijk? Ik heb gezien dat het team daar echt een prioriteit van maakt: de keuze van het gezin, waar willen ze eerst aan werken.” (aanmelder)

Niet enkel de startvraag wordt door het gezin geformuleerd, ook tijdens het proces wordt voortdurend geluisterd naar de prioriteiten van het gezin. Begeleiders trachten daarbij zoveel mogelijk het initiatief bij het gezin te laten.

"Mama en papa hebben zelf dat gesprek met het CLB en school geregeld, hebben zelf die afspraken gemaakt. Ze zijn zelf als eerste aan het woord gekomen. Ik denk dat dat ook mijn rol is geweest als verbinder. Als hulpverlener gaan we een beetje achteruit leunen en hen beluisteren." (begeleider)

Verschillende begeleiders benadrukken dat zij vooral ondersteunend gaan werken en geen of zo weinig mogelijk initiatieven overnemen. Het gaat vooral om “coachen om de ouder in zijn kracht te zetten”. Door de juiste vragen te stellen en veel positieve ondersteuning te geven, trachten zij de noden van het gezin duidelijk te krijgen en te structureren.

En dat heeft moeder wel beschreven: “Dat was wel eindelijk eens anders en ik had wel echt het gevoel dat iedereen nu naar mij luisterde in plaats van omgekeerd dat ik dan naar anderen moest luisteren over mijn gezin”. (begeleider)

“Wat ik zelf plezant vind is dat ouders regisseur zijn van hun eigen leven en dat wij komen meekijken van wat kan er nog verbeteren aan dat gij u goed voelt in uw leven. Want daar gaat het om, dat ze terug wat meer kwaliteit ervaren in hun gezin.” (begeleider)

Om de ondersteuning van een gezin of jongere te optimaliseren is er van bij de aanvang van de begeleiding aandacht voor het aanwezige netwerk. Samen met het gezin wordt gekeken wie uit de ruimere familie, vrienden, kennissen, buren, een rol kan spelen in de ondersteuning van het gezin. Hoe en of mensen uit hun omgeving worden betrokken hangt af van het gezin. Sommige gezinnen worden ondersteund om zelf mensen aan te spreken, bij anderen wordt het netwerk samengebracht in een netwerkoverleg waar samen met het gezin een ondersteuningsplan wordt gemaakt. 

“Ik merk heel sterk in de praktijk door vanuit die visie te werken, dat gezinnen zelf soms aan de slag gaan en het volgende gesprek komen van: “Ik heb dit aan mijn nonkel gevraagd en die ziet dat wel zitten.” (begeleider)

“Het is een heel sterk concept, één gezin, één plan - hoe kan je verschillende mensen aan één doel laten werken en hoe kan je dat doel naar bovenbrengen.” (begeleider)

“Ik denk dat mama meer grip heeft gekregen op haar traject en toch meer stemkracht heeft gekregen. De netwerktafels die we hebben gedaan waren ook écht wel de netwerktafels van mama.” (begeleider)

Om het netwerk van geïsoleerde gezinnen te verruimen maken begeleiders uit enkele samenwerkingsverbanden uitdrukkelijk verbinding met de wijk waarin zij werken. Een overzicht van mogelijkheden in de wijk biedt nieuwe kansen op extra ondersteuning. Er wordt ook ingezet op bestaande projecten in de regio zoals ‘peter- en meterproject, buddywerking, praatgroepen, …

“Wij sluiten aan op wijkactiecomités, … En dan ben je mee met wat er leeft in de wijk en wat de mogelijkheden zijn. Als je dan gezinnen begeleidt die een beetje in een isolement zitten, dat je dat netwerk op die manier kunt verruimen.” (begeleider)

Hier bij ons heb je een project van peters en meters. Op een bepaald moment hebben we mama en papa aangemoedigd dat zij die ook mogen bellen als ze er nood aan hebben. Ik ken toevallig die mensen, want dat zijn heel geëngageerde mensen.” (begeleider)

Daarnaast zorgt de begeleider van één gezin, één plan voor het betrekken en afstemmen van de hulpverleners die reeds met het gezin werken. Soms wordt er gestart met een ‘tafelgesprek’ waarin de noden van het gezin en de reeds beschikbare hulpverlening in kaart wordt gebracht. Vaak wordt er doorheen de begeleiding of als afronding van het proces een ‘netwerktafel’ opgezet om alle vormen van ondersteuning af te stemmen en te verduidelijken voor het gezin of de jongere.

“Het organiseren van zo’n netwerktafels is voor ouders een meerwaarde. Allé je doet dat niet zelf hè zo zeggen van: het is hier te veel, we moeten allemaal eens samen zitten. Op dat vlak is één gezin, één plan zeker een meerwaarde geweest om dat stukje op te nemen.” (begeleider)

Met de begeleiding wil men komen tot een plan dat het pad doorheen de hulpverlening voor het gezin en de betrokken hulpverleners duidelijk maakt, of een gezinsplan waarmee het gezin zelfstandig of met ondersteuning van het eigen sociale netwerk aan de slag kan. Er zijn veel verschillende vormen van dit plan. Er wordt gewerkt met een geschreven plan, flappen die samen met het gezin worden ingevuld, een digitale app beheerd door het gezin waarin afspraken met hulpverleners worden opgenomen, …

In de zoektocht naar de vorm en uitwerking van het gezinsplan speelt het belang van maatwerk en regie van het gezin een grote rol. Elke begeleiding is anders, dus ook het plan kan niet eenduidig zijn. Dezelfde aandachtspunten komen steeds terug: wat zijn krachten, zorgen, wat moet veranderen en wie neemt dit op?

De methodische uitgangspunten van de werking en coachende rol die de begeleiders opnemen binnen één gezin, één plan zijn niet vreemd binnen de hulpverlening. Het gaat over principes die steeds meer ingang vinden in de begeleiding van jongeren en gezinnen. Wel geven begeleiders aan dat het kader, de samenstelling van het team en de doelstellingen van één gezin, één plan, maken dat zij sterker kunnen inzetten op deze uitgangspunten.

“Ik wil niet doen alsof dit dé perfecte begeleiding is. Daar gaat het niet om hé. Ik denk dat je wel voelt dat die principes hebben bijgedragen tot een ander resultaat dan het klassieke: ja zoek maar een voorziening waar ze terecht kan en wring haar maar door het keurslijf dat er is.” (begeleider)

Variatie in de werking van de multisectorale teams: een probleem of een uitdaging?

Kortom, alle samenwerkingsverbanden zijn opgestart binnen het organisatorische kader vooropgesteld door de Vlaamse overheid. Zij streven allen naar een snellere toegang tot de gepaste hulpvraag om escalatie van problemen te vermijden. Overal worden de principes van het Nederlandse concept vooropgesteld, maar als de buitenwacht vraagt naar een duidelijke voorstelling van ‘de’ werking van één gezin, één plan, is het antwoord nog niet éénduidig. Iedere regionale werking is zoekende naar een gepaste invulling vanuit eigen noden, belangen en mogelijkheden.

Mogelijk schept dit voor de ene meer onduidelijkheid in de jeugdhulp, voor de andere is het een kans om te experimenteren en een antwoord op maat van de lokale noden te formuleren. Luisteren we naar de begeleiders dan horen we dat het samen zoeken en experimenteren als meerwaarde wordt aangegeven. Het niet vastzitten aan een kader of module geeft energie en mogelijkheden. Of zoals een begeleider aangeeft:

 “Dat is ook het mooie aan ‘één gezin, één plan’ dat ge er u echt kunt inleggen, hoe ge zijt. In mijn andere job was dat ook wel, maar het was meer volgens een protocol. Het kader moet er zijn, sommige dingen moeten nog meer in kader gebracht worden, maar de openheid: ge moet er nog kunnen van afwijken en dat is een belangrijke.”

Vele begeleiders wijzen daarbij ook naar de voordelen van het werken in een multisectoraal team. Het vertrekken vanuit de vragen van het gezin maakt dat de begeleiders breder kijken dan het kader van opvoedingsondersteuning. Dit is voor hen nieuw terrein aangezien voor velen opvoedingsondersteuning de afbakening vormt voor het werk in de moederorganisatie. Eén gezin, één plan zet in op een flexibel aanbod vanuit de brede vragen van het gezin en dat vraagt om een generalistische benadering. De ruimere kennis rond sociale kaart, andere methoden maar ook andere visies die verschillende teamleden binnenbrengen vormen een meerwaarde. Dit wordt al zichtbaar bij de aanmelding omdat één casus vanuit verschillende perspectieven kan bekeken en besproken worden. Maar ook tijdens het proces doen begeleiders beroep op de specialisatie van de teamleden.

“Ik vind het nog altijd een verrijking van met mensen te werken die met andere methodieken bezig zijn, die met ander cliënteel bezig zijn, om daar veel van op te steken.” (begeleidster)

Ondanks de regionale invullingen in organisatie en werkwijze zien we dat begeleiders vanuit gelijkaardige principes werken. Kennisdeling maakt dat de specifieke rol van de begeleider één gezin, één plan duidelijker wordt en de werking stilaan een eigen plaats krijgt binnen de jeugdhulp.

We beschouwen één gezin- één plan, op dit moment, als een partner die we kunnen inschakelen op momenten wanneer we vastzitten. Nu is er een partner die een situatie concreet vastpakt en die er ofwel iets concreet mee doet als dat kan, ofwel een extra partner en een netwerk inzet om een krachtiger signaal te geven. Voor ons is dat echt cruciaal om dat hulpverleningslandschap te vervolledigen, om hiaten te detecteren en om die, in de mate van het mogelijke, tegemoet te komen.” (aanmelder)

>> Auteurs: Bie Melis & Kathleen Van Loon, onderzoekers KdG Hogeschool

Foto's
Florian Van Eenoo