Evaluatie van de aanpak van de COVID-19-crisis in de ouderenzorg

Beleidsaanbevelingen voor de organisatie van de ouderenzorg

Dit onderzoek had als doel de zorgorganisatie van de ouderenzorg - met een focus op Limburg - te analyseren door na te gaan hoe de samenwerking rond de oudere persoon concreet georganiseerd wordt. Het onderzoek bestond uit desk research, een netwerkanalyse en interviews met diverse zorgactoren om na te gaan in hoeverre het theoretische netwerk overeenkomt met het effectief gecreëerde netwerk tijdens de pandemie.

Desk research

Drie beleidsdocumenten vormen het globale kader voor deze samenwerkingsverbanden. In het zorgprogramma voor de geriatrische patiënt (KB van 26/03/14) staat de pluridisciplinaire aanpak centraal om zorgcontinuïteit te garanderen. De externe liaison wordt naar voren geschoven om transities tussen ziekenhuis- en eerstelijnszorg te faciliteren. Het woonzorgdecreet (15/02/19) legt de nadruk op autonomie en levenskwaliteit van de oudere persoon die verblijft in gedifferentieerde en gespecialiseerde vormen van woonzorg. Dit decreet verplicht woonzorgcentra om samenwerkings-overeenkomsten te sluiten met, onder andere, een erkende geriatrische dienst van één of meerdere ziekenhuizen. Tenslotte komt in het eerstelijnsdecreet (26/04/19) de optimalisatie van zorgkwaliteit als doelstelling aan bod. Woonzorgcentra nemen een rol op in de zorgraad van de eerstelijnszone, als belangrijke actor in deze setting. Tijdens de COVID-19-pandemie werden enkele tijdelijke maatregelen geïntroduceerd, gericht op specifieke, bijkomende ondersteuning voor (1) zorgondersteuning door de ziekenhuizen; (2) samenwerking binnen de eerstelijnszone; en (3) compensatiemaatregelen voor de woonzorgcentra. Deze drie beleidsdocumenten en tijdelijke maatregelen vormden tijdens de COVID-19-pandemie het kader waarin de samenwerking tussen zorginstellingen (en specifiek met de woonzorg-centra) opgestart en/of versterkt kon worden.

Netwerkanalyse

De online vragenlijst werd ingevuld door 86 respondenten uit 51 (50.5%) Limburgse woonzorgcentra. De deelnemers vertegenwoordigen voornamelijk directieleden (n=34, 39.5%), hoofdverpleegkundigen (n=12, 13.9%), verpleegkundigen (n=8, 9.3%) en coördinerend en raadgevend artsen (n=8, 9.3%). Twee op drie respondenten (n=56, 65.1%) rapporteerden één of meerdere samenwerkingsrelaties met actoren uit andere organisaties. Gezamenlijk beschreven deze 86 respondenten 729 rechtstreekse contacten uit 112 organisaties. Organisaties waar voornamelijk beroep op gedaan werd voor samenwerking, waren: de Limburgse ziekenhuizen (n=191, 26.2%), de lokale besturen (n=65, 8.9%), huisartsenpraktijken (n=59, 8.1%) en het Agentschap Zorg & Gezondheid (n=45, 6.2%).

Uit de resultaten blijkt bovendien dat vooral directieleden en coördinerend en raadgevend artsen samenwerkingen aangingen met zorgprofessionals uit andere organisaties. Het merendeel van de interacties was eenmalig (36%). Vervolgens rapporteerden respondenten maandelijkse (31%), wekelijkse (22%) en dagelijkse contacten (10%). De meerderheid van de respondenten (86%) was (zeer) tevreden over de beschreven interacties, anderen waren eerder neutraal (10%) en slechts een minderheid was (zeer) ontevreden (3.4%).

Meer dan de helft van de gerapporteerde samenwerkingen (60.5%) bleek reeds structureel aanwezig te zijn vóór de COVID-19-pandemie. Eén op vijf samenwerkingen (18.7%) bleken tijdelijk georganiseerd te zijn tijdens de pandemie en nogmaals één op vijf samenwerkingsrelaties (20.9%) waren nieuwe initiatieven, waarvan respondenten potentieel zagen op lange termijn. Er blijkt veel diversiteit te zijn in hoe organisaties hun netwerken vormden voor de COVID-19-pandemie. De resultaten tonen dat organisaties met reeds een uitgebreid netwerk vóór de pandemie een beperkt aantal nieuwe samenwerkingsrelaties aangingen. Ook stellen we vast dat in sommige gevallen de decretaal beschreven samenwerkingsverbanden pas geïnitieerd werden tijdens de COVID-19-pandemie. Dit was onder meer het geval voor de samenwerkingen met ziekenhuizen en voor de netwerken rond de coördinerend en raadgevend artsen.

De inhoud van de samenwerking bleek voornamelijk gefocust op het uitwisselen van zorginhoudelijke expertise (n=362, 49.7%), infectiebestrijding (n=299, 41.0%), zorgorganisatie (n=268, 36.8%) en zorglogistiek (n=192, 26.3%). Factoren die een (belangrijke) positieve impact op samenwerking hebben, zijn de aanwezigheid van een specifieke expertise bij de gecontacteerde actor (n=39, 92.8%) of het hebben van een persoonlijke relatie met de contacten (n=32, 76.2%). Twee op drie respondenten (n=26, 65%) gaven aan dat de tijdelijke maatregelen van de Vlaamse Regering omtrent financiering van ouderenzorg (24/04/20 en 17/07/20) een (belangrijke) positieve impact hadden op de samenwerking. De functionele binding met ziekenhuizen en de geriatrische liaison functie hadden in meer dan de helft van de samenwerkingen (n=24, 58.5%) een positieve impact op samenwerking.

Respondenten beschreven hun samenwerkingen met (actoren in) ziekenhuizen en de eerstelijnszones als waardevol. Ook de samenwerking met de koepelorganisatie waartoe het woonzorgcentrum behoorde en de intrasectorale samenwerking tussen coördinerend en raadgevend artsen werden vermeld als samenwerkingen die als voorbeeld konden dienen voor de toekomst.

Sense-making approach

In de interviews met 19 sleutelfiguren uit diverse sectoren binnen de gezondheidszorg werd bevestigd dat de COVID-19-pandemie zorgde voor een intensifiëring van de samenwerking tussen woonzorgcentra en ziekenhuizen. Dit uitte zich onder de vorm van frequente multidisciplinaire online overlegmomenten, personeelsversterking ter plaatse, (online of fysieke) opleidingen en/of het aanleveren van materialen. Tijdens de COVID-19-pandemie gingen ziekenhuizen effectief outreachend te werk, wat voor beide organisaties een boeiende wisselwerking bleek te zijn. Ook binnen de eerstelijnszones werden stappen gezet om intersectoraal af te stemmen. Hoewel de structuur van eerstelijnszones zich nog in een opstartfase bevond op het moment van de COVID-19-pandemie, erkennen interviewees de potentiële meerwaarde van deze structuren. Intrasectoraal samenwerken bleek echter een uitdaging te zijn. Interviewees wijten dit aan de beperkte financiële middelen voor woonzorgcentra, waardoor voorrang wordt gegeven aan verzorgend personeel in plaats van een uitgebreider middenkader, wat een impact heeft op de professionalisering en het ontwikkelen van samenwerkingsrelaties met andere organisaties.

Beleidsaanbevelingen

Op basis van de resultaten uit voorgaande werkpakketten, werd een aantal beleidsaanbevelingen geformuleerd. Op structureel niveau wordt aanbevolen om (1) bestaande samenwerkingsverbanden, waarvoor reeds een kader werd uitgewerkt, duurzaam te implementeren; (2) in te zetten op translationeel onderzoek inzake innovatie in zorgorganisatie; (3) de implementatie van systemen voor (digitale) informatieoverdracht te versnellen; (4) erkenningscriteria inzake organisatorische veerkracht te herevalueren. De aanbeveling op organisatorisch niveau focust op (5) het belang van de eerstelijnszone en regionale zorgzones als structuur om samenwerking te ondersteunen, te stimuleren en verder uit te werken. Op professioneel niveau wordt aanbevolen om (6) de verpleegkundig specialist te introduceren in de residentiële ouderenzorg en (7) de rolinvulling van de coördinerend en raadgevend arts te optimaliseren. De klinische aanbeveling tenslotte ijvert voor (8) de integratie van geestelijke gezondheidszorg in de woonzorgcentra.

Het volledige onderzoek vind je terug op de website van het Steunpunt WVG.

Promotoren en onderzoekers

Promotor: Prof. dr. Jochen Bergs (1, 2)
Copromotor: Prof. dr. Ward Schrooten (1), Prof. dr. Johan Hellings (1)
Onderzoekers: Dr. Melissa Desmedt (1), Dorien Ulenaers (1), Kim Daniels (1, 2), Evi Lemmens (3), Bianca Ceccarelli (1)
1 -> Universiteit Hasselt, Faculteit Geneeskunde & levenswetenschappen
2 -> PXL
3 -> UCLL