Hoe betrekken we de sociale context in de geestelijke gezondheidszorg?

​Vermaatschappelijking van de zorg streeft ernaar zorg zoveel mogelijk in de eigen omgeving te laten plaatsvinden: dit geeft de grootste kans op herstel en kwaliteit van leven. De zorggebruiker, de hulpverlener en de naasten vormen een driehoek van zorg. Die naasten kunnen dan partners, vrienden, kinderen, buren, broers, zussen… zijn die meer dan af en toe zorgen voor iemand met psychische problemen. 

Driekwart van de zorg komt van deze mensen en vaak zijn ze al lang in beeld voor er professionele zorg ingeschakeld wordt. Het lijkt dus logisch dat naasten mee ingeschakeld worden in de zorg, maar toch blijkt dit nog niet goed ingeburgerd. Er is nood aan meer eenheid tussen de voorzieningen, en meer duidelijkheid over welke mogelijkheden hulpverleners hebben om naasten te betrekken. Daarom ontwikkelde het Steunpunt WVG een multidisciplinaire richtlijn (MDR) om hulpverleners en voorzieningen te ondersteunen in het beleid en de praktijk om de sociale context beter te betrekken bij de zorg.

De aanbevelingen van de MDR richten zich op beleidsmakers, directies en hulpverleners uit verschillende disciplines die in de geestelijke gezondheidszorg werken, en dat zowel in de ambulante als residentiële zorg, voor kinderen, jongeren, volwassenen en ouderen. Het doel is naasten te zien als partner in de zorg. De zorggebruiker is immers geen alleenstaand individu, maar leeft in een sociale context. Formele en informele zorg vormen een continuum. Naasten zijn vaak de eerste zorgverleners wanneer er sprake is van psychische problemen en roepen vaak samen met de zorggebruiker professionele ondersteuning in. Door hun betrokkenheid kunnen ze zelf ook overbelast raken. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen en jongeren. Daarom is het zeker van belang voor hulpverleners om voldoende tijd vrij te maken voor naasten van de zorggebruiker. De MDR wil een nieuwe basishouding installeren bij hulpverleners, waarbij ze een soort van 'familiereflex' maken. Het gaat daarbij dan niet zwart-wit over wel of niet betrekken van naasten, maar over maatwerk. De overweging moet gemaakt worden rekening houdend met persoonlijke kenmerken, ervaringne en voorkeuren van de zorggebruiker en zijn naasten, en het eigen oordeel als expert over wat werkt en wat niet. 

De MDR is niet enkel opgesteld op basis van wetenschappelijke evidentie, maar houdt ook rekening met waarden en attitudes van hulpverleners, zorggebruikers en hun naasten. De aanbevelingen zijn dan ook gestoeld op wetenschappelijk onderzoek, bevragingen van alle betrokkenen en juridische analyse van relevante wetgeving. 

Opbouw van de richtlijn

In de inleiding wordt achtergrondinformatie meegegeven over waarom en hoe de MDR tot stand kwam. Daarna volgen de aanbevelingen op niveau van de hulpverlener en het team. In verband met de juiste basishouding om met naasten aan de slag te gaan, hen te onthalen en te bejegenen, informatie te geven en te ondersteunen. Met betrekking tot specifieke situaties zoals doorverwijzingen of afronden van trajecten, wanneer er sprake is van suïcidale gedachten of gedrag, in crisissituaties of wanneer de relatie met tussen de naaste en de zorggebruiker verstoord is. Daarnaast zijn er ook aanbevelingen over juridische kwesties, bijvoorbeeld in het geval wanneer een zorggebruiker beslissingsonbekwaam is of uitzonderingssituaties waarin geen informatie aan naasten wordt gegeven. 

Aanbevelingen op het niveau van de zorginstelling gaan onder andere over het uitwerken van een beleid hierrond, zorgen voor gedeelde verantwoordelijkheid, het installeren van gespecialiseerde functies, infrastructuur familievriendelijk maken en hulpverleners opleiden en trainen. Op het niveau van het federale of Vlaamse beleidsniveau wordt onder andere aangeraden kennis en vaardigheden van hulpverleners te versterken, financiële middelen te voorzien, het brede publiek te informeren en te investeren in onderzoek naar (participatie van) naasten en familie.   

Kritische bedenkingen en randvoorwaarden

De MDR heeft - als gevolg van het ontwikkelingsproces - een sterk residentiële ondertoon, laat weinig ruimte voor innovatieve praktijken, is opgebouwd uit vrij algemene aanbevelingen en is afgebakend tot de vrij directe leefomgeving van de zorggebruiker. Het dus belangrijk om de MDR genuanceerd toe te passen, beslissingen te nemen op grond van gelijkwaardigheid, praktische handvatten aan te reiken en voldoende capaciteit en tijd te voorzien. De toepassing van de MDR moet regelmatig geëvalueerd worden en juridische ondersteuning is onontbeerlijk. 

Meer weten over de MDR? Je vindt het volledige rapport op de website van het Steunpunt WVG