Mensen zijn geen machines

Psychologe Elke Van Hoof over stress en burn-out

We gaan niet goed om met stress. Slecht voor onszelf, de samenleving en de economie. Daarom moeten we onze mentale veerkracht versterken. Elke Van Hoof ijvert er al jaren voor om mensen weerbaarder te maken. Haar pleidooi voor inclusiviteit klinkt tijdens de coronacrisis nog urgenter.

Psychologe Elke Van Hoof (VUB) onderzoekt de oorzaken en gevolgen van stress, vermoeidheid, burn-out en trauma. Ze heeft ook de praktische toepassing van haar kennis fors uitgebouwd, bijvoorbeeld door het Huis voor Veerkracht op te richten. Organisaties en individuen kunnen er terecht voor begeleiding en opleiding over de omgang met allerlei vormen van negatieve energie. Daarnaast deelt Van Hoof haar kennis in tal van adviesraden. Ze zat ook in verschillende werkgroepen die aan het begin van de zomer de exitstrategie van de overheid mee begeleidden. Hou houdt ze zelf het hoofd koel tijdens en razend drukke periode?

Van Hoof: “Ik zoek mijn limieten soms op. Dat lukt omdat ik met een geweldig team werk. We vangen elkaar op. Ik heb daardoor de autonomie om mijn grenzen af te tasten. Buiten het werk zet ik in op hersteltijd. Ik hou mijn fysieke conditie in de gaten. En als ik thuis ben en niet werk, dan werk ik ook echt niet. Dat zorgt ervoor dat ik efficiënt blijf. Soms loopt het uiteraard in het honderd. Ik ben ook maar een mens. Het is oké om niet oké te zijn. Als je over je grenzen gaat, dan leer je er iets uit en word je veerkrachtiger. Op voorwaarde dat je weet wat je doet en dat je kan terugvallen op collega’s en een team.”

We leven in een wereld die de indruk geeft steeds sneller te draaien. Een klassiek beeld is Charlie Chaplin die in de film Modern Times (1936) opgeslokt wordt door de lopende band. Chaplin zou vandaag zonder probleem een remake kunnen filmen. Dankzij de digitalisering en sociale media zijn we permanent aanwezig. We willen onze samenleving ook zo efficiënt mogelijk organiseren en leggen onszelf druk op om te presteren. Bovendien willen we zelf zoveel mogelijk controle en keuzevrijheid bewaren. Die combinatie is een onuitputtelijke bron van stress. We hoeven die echter niet lijdzaam te ondergaan. De wetenschappelijke kennis over de manier waarop ons lichaam en onze hersenen werken neemt toe. Op basis daarvan kunnen we met eenvoudige technieken en meetbare inzichten een geïntegreerd beleid voeren: problemen voorkomen en mensen helpen als het dan toch fout loopt. De ondertitel van haar boek Chief Happiness Officer luidt niet voor niets Stappenplan voor een strategisch welzijnsbeleid op het werk. Werkplezier moet volgens Elke Van Hoof in de strategische kern van elk bedrijf zitten. Maar hoe organiseer je dat werkplezier concreet?

“Dankzij een stappenplan ontdek je wat in een bedrijf de beste vorm van werkplezier is. Je begint best bij het bepalen van de missie van het bedrijf. Zo kan je vaststellen wat voor type mensen je nodig hebt om het bedrijf te doen floreren. Wat moeten ze kunnen? In welke situatie gedijen ze het best? Vervolgens zoek je uit of het bedrijf de juiste context biedt aan de medewerkers. Als dat zo is, dan zet je in op verbinding en groei. Sociale verbinding met de waarden en normen van het bedrijf, en onderling in het team. Groei heeft alles te maken met autonomie van de werknemers, talentmanagement en uitdagen. Laat mensen uit hun comfortzone komen, maar geef hen ook hersteltijd. Autonomie in de zorgsector betekent bijvoorbeeld dat je zorgverleners ruimte laat om hun werktempo te bepalen, zodat ze meer aandacht aan de patiënt kunnen geven. Mensen zijn uiteraard geen machines. Plezier is voor mij ook belangrijk. Mensen moeten kunnen lachen op het werk. Ze moeten in de gebouwen van het bedrijf een thuisgevoel ervaren.”

Doen wat je graag doet helpt ook. Dat geldt zeker voor jezelf.

“Als kind wilde ik hersenchirurg worden, uit fascinatie voor de werking van onze hersenen. Uiteindelijk studeerde ik psychologie, een wetenschap die ons helpt om mensen het beste uit zichzelf te laten halen. We gebruiken geen medicatie, maar wel allerhande technieken om de veerkracht van mensen te vergroten. We bevorderen het aanpassingsvermogen, zodat mensen het beste van zichzelf kunnen tonen, ongeacht de context. Niet iedereen komt met dezelfde rugzak aan de start. Daarmee goed omgaan: ook dat is veerkracht.”

Hoe is de wetenschap in je vak veranderd in de loop der jaren?

“Ze is absoluut veranderd, zeker onder invloed van de technologische vooruitgang. Denk maar aan de mogelijkheid om uitgebreide hersenscans te maken. Door de samenwerking van medische wetenschap en psychologie zijn we er ook in geslaagd theoretische modellen te onderbouwen of te verwerpen. De persoonlijkheidstypen van Carl Gustav Jung (een psychotherapeutische theorie, red.)  bleken bijvoorbeeld totaal onwetenschappelijk. Er is wel degelijk verandering gekomen in de factoren die we echt correct kunnen beoordelen bij het werken met mensen. Sommige theorieën bekken wel goed, maar zijn niet meer dan tijdelijke reddingsboeien. Het is gevaarlijk om je welzijn alleen daarvan te laten afhangen.”

“Een tweede tendens is de draai die de psychologie heeft genomen richting veerkrachtig gedrag. Dat ligt ook beter in het verlengde van mijn persoonlijk talent als psycholoog. Tijdens mijn studietijd, vorige eeuw (lacht), behandelde de psychologie voornamelijk afwijkingen. Vandaag zoeken we naar wat mensen doet floreren en wat we daaruit kunnen distilleren voor mensen die het wat moeilijker hebben. Dat is de overgang van wat wij pathogenese noemen, factoren die ziekte bepalen, naar salutogenese, de factoren die welbevinden en gezondheid bevorderen. Dat vind ik persoonlijk een fijne ontwikkeling. Het past ook bij het maatschappelijk beeld dat ik wil volgen. Iedereen heeft met zijn of haar unieke kenmerken recht op ruimte en de best mogelijke omkadering om de beste versie van zichzelf te zijn. Dat gaat om mensen met mentale beperkingen tot mensen die psychosociaal kwetsbaar zijn, maar die daarom niet minder waard zijn dan anderen. Ik ben voor inclusie en diversiteit in de breedste zin van het woord, zodat ik de aandacht voor veerkracht enorm aanmoedig. Dat is beter dan mensen in hokjes te stoppen op basis van hun afwijkend gedrag, hen te categoriseren en weg te werken. Ik wil nadenken over interventies die het mogelijk maken dat iedereen kan floreren in de maatschappij.”

“Wat voor mij bijvoorbeeld niet kan in de huidige crisis is het wegduwen ouderen, omdat ze als groep een apart gezondheidsrisico lopen. Uiteraard zetten we in op veiligheid voor iedereen, maar ik vind het gevaarlijk om ouderdom en dus verhoogde kwetsbaarheid af te scheiden en te problematiseren.”

Die wetenschappelijke medische kennis brengt ons wonderlijke oplossingen, maar kan ook tot medicalisering leiden. Hoe sta je daar als psycholoog tegenover?

“Dankzij de wetenschap leven we langer en gezonder. Zelfs voor mensen met chronische ziektes kunnen we vaak comfort en levenskwaliteit garanderen. Overmedicalisering waarbij de medische sector voor elk probleem een pil bedenkt, is geen goed idee. De coronacrisis heeft ons alleszins geleerd dat het ook een utopie is: soms hebben we niet meteen oplossing. Ik vind dat de medische en psychosociale wetenschappen complementair moeten zijn. Een goed voorbeeld is de manier waarop bij de Universiteit van Luik hypnose bij operaties wordt gebruikt.”

Je hebt een holistische visie ontwikkeld op menselijk welbevinden. Hoe zou jouw plan voor de hele samenleving eruitzien?

“Het heeft zowel met mentaliteit als organisatie te maken. Ik bouw al twintig jaar aan mijn visie. In het begin voelde ik me eenzaam roepen in de woestijn, intussen is er steeds meer wetenschap in binnen- en buitenland die mijn inzichten ondersteunt. Ik heb er bewust voor gekozen om naast mijn academisch mandaat het Huis voor Veerkracht en Ally Institute op te richten, plekken waar ik kan sensibiliseren en waar ik mijn zienswijze verder kan uitwerken. Het voordeel is dat ik kan denken aan innovatie zonder beperkingen. Het nadeel is dat ik er wat langer over doe om te innoveren, net omdat ik het niet in een instelling doe.”

“Het veranderen van een maatschappelijk paradigma gaat uiteraard waanzinnig traag, zeker als er een verband met de medische sector is. Elke keer dat we een stap terug moeten zetten, leren we een heleboel bij. De technologie heeft ons de afgelopen jaren geholpen om te versnellen en mijn doel dichterbij te brengen: iedereen zo helpen dat ze ongeacht de omstandigheden tot de beste versie van zichzelf komen.”

Hebben we de preventie van stress en burn-out al voldoende gewicht gegeven? Of zijn we nog steeds voornamelijk symptomen aan het bestrijden? Moeten we niet anders naar onszelf beginnen te kijken?

“We brengen die problemen nog steeds onvoldoende onder woorden. Tegelijkertijd denk ik wel dat de zaadjes geplant zijn en dat het belang van de holistische visie groeit. Maar we staan nog niet zover dat we ook echt nieuwe systemen aan het bouwen zijn. Ik geloof in langzame, duurzame verandering, eerder dan in het opleggen van vooruitgang. We weten uit de gedragswetenschap dat kleine stapjes een veel diepgaander effect hebben. Ik kies er dus voor om te geloven dat we stap voor stap vooruitgaan.”

“Ik zie toch een reflex bij mensen om beter te worden. Als ik naar mezelf kijk, dan weet ik dat ik er lang heb over gedaan om mijn ongeduld over die trage verandering te temperen. Als jonge onderzoeker wilde ik veranderingen doorduwen. Vandaag wil ik bottom-up werken. Dat is niet alleen wetenschappelijk beter, maar het geeft mensen ook de kans om verandering beter te integreren in hun eigen hulpbronnen.”

Hoe breng je die positieve psychologie over?

“Door dialoog. Ik praat en overleg met iedereen, ook met sociale partners. In mijn visie is er een plaats voor iedereen, dus ook voor mensen die misschien minder snel in mijn wereldbeeld kunnen of willen meegaan. Ik ben ook maar die ene psycholoog met een missie. Andere stakeholders in dit maatschappelijke debat over welbevinden zullen vanuit andere invalshoeken ook waardevolle inzichten aandragen.”

Beseffen we wel voldoende hoezeer problemen op de arbeidsmarkt verbonden zijn met de manier waarop individuen en bedrijven met negatieve stress omgaan?

“Het is zeker zo dat de context waarin we werken onvoldoende is afgestemd om de juiste keuze te maken en tot ons volle potentieel als mens te komen. Maar dat tekort is niet alleen op rekening van de werkgevers schrijven. Het heeft er ook mee te maken dat we zijn opgevoed met de overtuiging dat we zelf elk probleem kunnen oplossen. Dat is niet zo. Bij welzijn op het werk hebben zowel werknemers, werkgevers als beleidsmaker een verantwoordelijkheid. Het gebeurt nog te vaak dat slechts één van die partijen een dossier ter harte neemt, terwijl het grote succes kan worden geboekt als ze alle drie de handen in elkaar slaan.”

“Sommige werkgevers zetten alleen een welzijnsbeleid in met gadgets. Dat noem ik de bananenmand: eet een banaan om je ‘monday blues’ te verjagen. Echte verandering aanbrengen in de werk- en emotionele belasting van werknemers is andere koek. Je moet mensen echt helpen. Daarom heb ik de OCHO Community opgericht (Organisation of Chief Happiness Officers, red.), voor alle professionals die het belangrijk vinden om een goed doordacht strategisch welzijnsbeleid hoger en beter op de agenda van hun organisatie te plaatsen. Via die weg ben ik voortdurend in dialoog met werkgevers over een duurzaam en strategisch welzijnsbeleid.”

“Pakweg vijf jaar gelezen was het onmogelijk geweest om zo’n activiteit uit de grond te stampen. Als ik zie wat voor vrijheid we krijgen, dan kan ik alleen maar positief zijn. Intussen hebben al meer dan 600 bedrijven zich bij OCHO aangesloten. Tijdens de coronaperiode hebben we wekelijks overleg. Ik hoor alleen maar oprechte bezorgdheid voor het welzijn van de medewerkers en de duurzaamheid van de eigen onderneming. Zonder economie is er geen welzijn. Het circulaire systeem dat ik verdedig, veronderstelt dat alle partijen de handen in elkaar slaan. Steeds meer bedrijven kiezen voor die gezamenlijke weg. Tegelijkertijd moet elke mens die lijdt de gepaste ondersteuning krijgen van de werkgever en de gezondheidzorg. Elk geval waarbij dat niet gebeurt, is een geval te veel voor mij.”

Je hebt intussen veel ervaring met crisismomenten, van de aanslagen in Brussel tot de gevolgen van economische inzinkingen. Waar ligt voor het jou het kantelmoment van de ontwikkeling die je schetst?

“Volgens mij treedt de kentering eind jaren negentig op. Werk is niet alleen maar werk, maar moet ons ook iets bijbrengen. De inhoud van werk is veranderd. De crisis van 2008 heeft ons geconfronteerd met de noodzaak om duurzame modellen te bouwen. Die nood wordt door de coronacrisis nog intenser en heel acuut. Ik hoop dat we de juiste keuzes maken. Neem nu de landschapsbureaus: het zou een geweldige stap vooruit zijn als we die zouden kunnen afschaffen.  Of het normaliseren van telewerk en online-overleg, zodat het evenwicht tussen werk en gezinsleven wordt verbeterd. Ik ben ook voorstander van physical distancing, omdat het ervoor zorgt dat arbeiders meer ruimte krijgen op de werkvloer. Ik hoop dat we die dingen niet meer loslaten.”

Hoe zie je de langtermijneffecten van de crisis op de welzijns- en gezondheidszorg?

“Iedereen die betrokken is bij gezondheid en welzijn vormt een essentieel onderdeel van het systeem: van de verpleger tot de begrafenisondernemer, en van de rusthuismedewerker tot de poetsvrouw. En niet alleen specialisten en artsen. Als we die gelijkwaardigheid over disciplines heen vasthouden, zullen we een dialoog kunnen voeren op een hoger niveau en wordt vooruitgang voor iedereen mogelijk.”

“Uiteraard ervaart iedereen in de sector ontzettend veel druk. De knelpunten zijn duidelijk: een gebrek aan ondersteuning, de hoge emotionele eisen, de hoge werkbelasting. Verpleegkundigen zijn onderbetaald, ondergewaardeerd en overbelast, op alle vlakken. Zowel emotioneel, mentaal als qua talentmanagement. Die situatie wreekt zich. Ik kijk uit naar die open dialoog.”

Je ijvert voor zelfzorg en het vergroten van de persoonlijke weerbaarheid, misschien tegen de aard van instellingen in. Artsen hebben macht, verpleegkundigen voeren uit en patiënten ondergaan. Die opdeling probeer je te overbruggen.

“Ik probeer op het debat te wegen, vanuit een dialoog. We hebben een strategisch welzijnsbeleid nodig. De visie en de missie van de gezondheidszorg moeten op punt gesteld worden. Wat willen we eigenlijk en waarom? Wat is het streefdoel van gezondheidszorg en haar instellingen? We moeten stappen zetten om een context te creëren voor iedereen. Als je vanuit gelijkwaardigheid werkt, zal je het niet voor iedereen even goed kunnen doen. We zullen mensen moeten verleiden om telkens opnieuw de dialoog te hervatten. Daar bestaan stappenplannen voor. Als je een paradigma wil veranderen, kan je niet zonder een vorm van systeemdenken.”

Is de holistische aanpak die je voorstelt, en die erg gericht is op individuele mogelijkheden, een manier om voorbij doelgroepen te denken?

“Je mag niet vergeten dat we pas midden vorige eeuw de acute infectieziektes de baas konden. Toen hebben we gemiddeld heel wat levensjaren gewonnen. We gingen fysieke en mentale problemen ook specialistischer benaderen, in aparte silo’s. In het circulaire systeem dat ik volg, staat de ontwikkeling van die aparte thema’s niet los van elkaar. We kunnen een nieuw inclusief paradigma bedenken, dankzij de winst die is geboekt met het silodenken. Er zal wel altijd een mogelijkheid moeten bestaan om, indien de omstandigheden het vereisen, mensen en groepen tijdelijk uit de maatschappij halen. Om zichzelf of de maatschappij te beschermen. De gevangenis is het beste voorbeeld. Of de quarantaine die mensen volgen als ze besmet zijn met corona.”

Een inclusieve benadering is mogelijk. Te weinig mensen beseffen dat?

“Uiteraard, want we staan aan het begin van die ontwikkeling. Mensen zullen zich die inclusieve inzichten eigen moeten maken en vertalen naar hun dagelijkse routines. Elke crisis biedt een kans op versnelling.”

“In de coronacrisis weegt het debat over volksgezondheid uiteraard zwaar door. Maar psychosociaal welzijn, gelijkwaardigheid en dialoog zijn gelukkig niet afwezig.”

Zoals met de technologische toepassingen?

“Afstandszorg via een scherm of een digitaal platform, en online-psychosociale zorg zijn plots logisch en normaal. Toch moeten we beseffen dat we technologie nog te vaak gebruiken als een instrument dat de werkdruk doet toenemen. We hebben er nog geen indicatoren voor en kunnen de vraag naar het nut van technologie nog onvoldoende beantwoorden.”

In jouw inclusieve paradigmawissel krijgen mensen als individu en als werknemer de best mogelijke omkadering  om de beste versie van zichzelf te zijn. Hoe vermijdt je dat de kille kostenbatenanalyse de bovenhand haalt?

“In het systeem dat ik voorstel, staat rendement niet voorop. Een mens laat zich niet plooien naar de formules die wij gebruiken voor machines. Ik heb geen sluitend antwoord op je vraag, want anders was mijn werk al volbracht. Ik vind het wel belangrijk om in de dialoog met alle stakeholders te benadrukken dat mensen geen machines zijn. Onze productiviteit hangt eigenlijk niet af van tijd en materiaal. Wij zijn productief wanneer goesting en sociaal contact goed loopt. Mensen zijn in staat om diep in hun energiereserves te putten als ze daar goesting voor hebben en als het in een goeie omgeving gebeurt.”

“Nieuwe technologie zorgt er uiteraard voor dat we mensen beter kunnen monitoren, maar willen we dat een wearable onze hartslag meet om aan te geven wanneer we een pauze moeten nemen? Mensen moeten zich kunnen ontspannen vooraleer er toxische stress optreedt. Leidinggevenden moeten in staat zijn om te capteren wanneer een medewerker er nood aan heeft om even de dingen los te laten. Dat hebben we nog niet goed begrepen. We redeneren nog te veel in mathematische modellen, aangewakkerd door nieuwe technologie. We zouden die technologie als ondersteunende tool moeten gebruiken, niet als de heilige Graal.”

>> Meer info op www.huisvoorveerkracht.be en www.ochocommunity.com

>> Elke Van Hoof, Chief Happiness Officer. Stappenplan voor een strategisch welzijnsbeleid op het werk, LannooCampus, 2020, ISBN 9789401470650. €25,99

Foto's
Jan Locus