Op weg naar een warm Vlaanderen
Afgelopen jaar doorliep het Departement Zorg samen met een grote groep stakeholders en experten een traject om een beleidsplan voor geestelijke gezondheidsbevordering (GGB) op te stellen. Het doel was een onderbouwd, breed gedragen en meetbaar beleidsplan dat inspeelt op de noden en uitdagingen in de samenleving.
“Geestelijke gezondheid verdient meer aandacht in ons dagelijks leven, niet alleen om problemen op te lossen, maar vooral om ze te voorkomen”, zegt Elke Ghyllebert, beleidsmedewerker Gezondheidsbevordering en Vroegdetectie bij het Departement Zorg. “Het is belangrijk om ruimte te maken voor wat ons mentaal versterkt en elkaar te ondersteunen in het vinden van balans. Geestelijke gezondheid moet een vanzelfsprekende prioriteit zijn in een gezonde leefstijl en leefomgeving.”
Elke leidde het traject naar een beleidsplan voor geestelijke gezondheidsbevordering. Een van de eerste uitdagingen was het afbakenen van wat wel en niet bij het plan zou horen. “Omdat velen de urgentie inzien, zijn er talloze initiatieven met verschillende invalshoeken en doelgroepen. Dit maakte het voor de overheid lastig om een volledig en actueel overzicht te krijgen en onderstreepte de noodzaak van een samenhangende aanpak”, legt Elke uit. “Het doel was een concreet beleidsplan voor een thema dat voor veel mensen moeilijk te vatten is. Het hoefde niet allesomvattend te zijn. Het stellen van duidelijke prioriteiten was essentieel in zo’n breed en complex vraagstuk.” Dankzij de input van alle stakeholders werden een gedeelde missie, visie en concrete doelstellingen geformuleerd.
Alles begint uiteraard met het bepalen wat geestelijke gezondheidsbevordering inhoudt. “Een persoon is geestelijk gezond wanneer hij tegelijk geen of minimale psychische problemen heeft, een hoog niveau van mentaal welbevinden ervaart en dus in positieve zin goed functioneert.” Zo luidt de definitie volgens Elke. “Vroeger was je ziek of gezond. Tegenwoordig erkennen we dat geestelijke gezondheid een continuüm is. Ieders plek in dat continuüm kan verschuiven afhankelijk van levensfasen en omstandigheden. Kleine interventies kunnen daarbij een groot verschil maken. Vandaag kijken we dus niet meer enkel naar psychische problemen, maar ook naar het mentaal welbevinden. Hoe ga ik om met emoties, stress en tegenslagen? Waar krijg ik energie van? Hoe vind ik zin en betekenis in het leven? Hoe communiceer ik en verbind ik me met anderen? Door in te zetten op dit welbevinden, kunnen we niet alleen voorkomen dat mensen mentale klachten ontwikkelen, maar verbeteren we ook de levenskwaliteit van mensen die al met mentale gezondheidsproblemen kampen.”
Sterke focus op preventie
Het budget voor geestelijke gezondheidszorg is verhoogd, maar zal ontoereikend blijven zolang een sterke focus op preventie uitblijft. “Preventie is een investering in welzijn, welvaart en de toekomst,” benadrukt Elke. “Mentale gezondheid beïnvloedt maatschappelijke doelen, zoals een verbeterd onderwijsniveau, lagere werkloosheid, een duurzame arbeidsmarkt of minder criminaliteit. Uit Nederlands onderzoek blijkt dat een verbetering van mentaal welbevinden met 5% bij een miljoen Nederlanders jaarlijks 144 miljoen euro oplevert. Het is een kost die we ons niet meer kunnen veroorloven en toont hoe cruciaal mentale gezondheid is voor een veerkrachtige samenleving. Het vraagt visie en daadkracht om die langetermijneffecten te realiseren, maar de impact is het zeker waard.”
Welke principes werden voor ogen gehouden bij de opmaak van het plan? “Geestelijke gezondheidsbevordering moet zoveel mogelijk plaatsvinden in de samenleving: op scholen, op het werk, in het welzijnswerk, bij de vrijetijdsbesteding. Het principe van public health dus. En dat juist op momenten in het leven waarop de risico’s hoger liggen. Denk aan schakelmomenten zoals je kindertijd, waarin je identiteit en zelfbeeld vorm krijgen, de periode na het krijgen van een kind, de overgang van school naar werk, het pensioen of ingrijpende gebeurtenissen zoals een scheiding, verlieservaringen, een ingrijpende ziekte of een trauma. Het is belangrijk dat we op de momenten dat mensen even kunnen wankelen proactief ondersteuning bieden om de mentale vaardigheden van mensen te versterken. Precies daarom is een ‘health in all policies’-aanpak essentieel: alleen door samenwerking over beleidsdomeinen heen kunnen we op deze scharniermomenten aanwezig zijn en mensen de juiste ondersteuning bieden op het juiste moment. Geestelijke gezondheid moet een vanzelfsprekend deel zijn van alle domeinen, met respect voor bestaande taken.”
Evidence-based versus innovatie
LUCAS, het Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy van KU Leuven, stond in voor de wetenschappelijke onderbouwing van het beleidsplan. “Geestelijke gezondheidsbevordering is complex, het omvat alles en niets”, steekt onderzoekster Evelien Coppens van wal. “Bij het uitzetten van lijnen moet je keuzes maken, anders gebeurt er uiteindelijk niets. Over preventie van bijvoorbeeld depressie bestaat er al redelijk wat wetenschappelijke literatuur, maar niet specifiek over geestelijke gezondheidsbevordering zelf. Dat thema is vaak stiefmoederlijk behandeld, ook in andere landen, omdat het moeilijk is om de effecten van zulke programma’s op korte termijn aan te tonen.”
“Hopelijk krijgt geestelijke gezondheidsbevordering door dit plan meer aandacht. Nu valt het vaak onder meerdere beleidsdomeinen, waardoor het oppervlakkig blijft. In Vlaanderen is het een uitdaging omdat elk beleidsdomein zijn eigen prioriteiten heeft. Het idee van ‘health in all policies’ wordt vaak genoemd, maar de invulling blijft vaag. De impact van een geïntegreerde aanpak is moeilijk aan te tonen, wat beleidsmakers terughoudend maakt. Evidence-based werken is belangrijk, en het is logisch dat bewezen methodes voorrang krijgen in het budget krijgen. Maar dat mag niet betekenen dat vernieuwende ideeën geen kans krijgen. Innovatieve projecten moeten daarom goed begeleid worden, met aandacht voor effectmeting, zodat ze bij succes ook een plek kunnen krijgen binnen het beleid.”
Indicatoren om te evalueren
Natuurlijk worden er ook indicatoren opgesteld om het beleidsplan te evalueren. “We hebben eerst gekeken naar de aanpak in andere landen en onderzocht welke gegevens in Vlaanderen al beschikbaar zijn”, vertelt Evelien. “De gegevens moeten representatief, structureel en herhaaldelijk gemeten worden. Een werkgroep van experten, onder andere van Sciensano en de UGent, heeft ons daarbij geholpen.”
"Bij het beoordelen bleek het soms lastig om indicatoren zoals medicatiegebruik goed te plaatsen. Dit geeft harde cijfers, maar zegt weinig over het beleidsplan zelf.” Evelien legt uit: “Een toename in antidepressivagebruik kan betekenen dat mensen eerder hulp zoeken, dat artsen vaker voorschrijven, of dat de geestelijke gezondheid verslechtert.'"
Balans tussen investering en impact
Er werd ook een gezondheidseconomische check gedaan: een evaluatie die de balans tussen de investering en de impact op de volksgezondheid nagaat. “In de ideale wereld wil je weten hoeveel effect een interventie heeft, hoeveel die kost, en hoeveel andere maatschappelijke kosten en opbrengsten daarmee bespaard worden, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt. De inschattingen zijn echter vaak onnauwkeurig en een grondige kosten-batenanalyse vergt veel tijd en geld”
“We hebben veel tijd besteed aan het in kaart brengen van effectieve en kosteneffectieve interventies,” legt Evelien uit. “Kosteneffectiviteitsanalyses uit andere landen kunnen niet direct naar Vlaanderen worden vertaald. Daarom heeft I-CHER (Interuniversity Centre for Health Economics Research, een samenwerking van VUB en UGent, nvdr) een methode ontwikkeld om de toepasbaarheid voor Vlaanderen te beoordelen, samen met een leidraad voor toekomstige evaluaties. Het uitvoeren van dergelijke studies moet een weloverwogen keuze zijn binnen het beschikbare budget, aangezien een mogelijk gevolg is dat je misschien minder middelen voor de doelgroep kunt inzetten.”
“Je zou eindeloos aan zo’n beleidsplan kunnen blijven werken”, besluit Evelien, “maar tegen de tijd dat alles perfect is, ben je waarschijnlijk al ingehaald door nieuwe ontwikkelingen. Het is een balans tussen streven naar perfectie en het zetten van concrete stappen, ook al zijn die misschien niet altijd volledig of perfect.”
Samenwerking als instrument
Samenwerkingen over beleidsdomeinen heen worden vaak besproken, maar zijn moeilijk in de praktijk te brengen. Joris De Corte van het adviesbureau Over De Muur helpt bij het verbinden van wetenschap en praktijk in intersectorale samenwerking. “Samenwerken is een containerbegrip”, zegt hij. “Het is geen doel op zich, maar een middel om iets te bereiken wat je alleen niet kunt. Wat willen we bereiken en waar kunnen we samen een verschil maken? Dat vraagt om doordacht samenwerken.”
Een eenvoudige manier van samenwerken is elkaar beter leren kennen, wat kan leiden tot gerichte doorverwijzing en duidelijke afspraken. “Misschien moet de ene organisatie bepaalde taken niet meer uitvoeren omdat de andere het beter kan”, stelt Joris. Hij benadrukt dat elk domein zijn eigen expertise heeft, maar dat de kennis vaak versnipperd is. “We moeten die kennis bundelen zonder overlap of hiaten. Samenwerken vereist ook vaak dat je een stap terugzet en kritisch naar je eigen werkwijze kijkt. En dat is delicaat, omdat je daarvoor een stukje eigenheid moet loslaten.”
Wie beter wil aansluiten bij de expertise en activiteiten van andere partners, roept automatisch een aantal vragen op over de eigen werkwijze, weet Joris. “Waarom werken we zo? Wat ligt aan de basis van die keuzes? Voor sommige mensen of organisaties kan dit als een bedreiging overkomen. Dat is een logische reflex. Mensen zijn vaak sterk geëngageerd in hun sector en willen hun werk goed doen. Samenwerking vraagt soms dat je een stap terugzet en met afstand naar je eigen werking kijkt. Het is een zoektocht voor mensen en organisaties. Daarom zijn realistische verwachtingen belangrijk. Een samenwerken verloopt niet altijd lineair, een dipje betekent niet dat er niets meer mogelijk is. Dat is gewoon een natuurlijke evolutie.”
Tussenstappen zichtbaar maken
Samenwerking is essentieel in geestelijke gezondheidsbevordering omdat verschillende domeinen invloed hebben op geestelijke gezondheid. Het vinden van gemeenschappelijke grond is echter niet altijd eenvoudig. Joris legt uit: “Er is veel goede wil, maar organisaties werken op verschillende niveaus en met verschillende benaderingen. De ene werkt op een vrij abstract niveau, terwijl andere al concretere acties voor ogen hebben.” Hij benadrukt dat er geen goede of foute manier van samenwerken is: "Het gaat erom wat je nodig hebt en hoever je kan, wil en mag gaan op dit moment. Soms betekent dit werken in kleinere tussenstappen en ook die zichtbaar maken. Ook als het einddoel nog niet bereikt is. Weerstand tegen verandering is normaal. Iedereen is mee zodra ze de voordelen van verandering inzien.”
“Wat ik hoop te vermijden, is dat dit plan eindigt als een dode letter,” zegt Elke. “Gelukkig heb ik bij de stakeholders echt de energie en goesting gezien om hier samen verder aan te werken. We krijgen voortdurend mails met vragen over de volgende stappen of van organisaties die ook graag willen meewerken. Dit plan moet gezien worden als een startpunt, niet als een eindpunt. Het gaat om een werkwijze die tijd en opvolging vraagt om een duurzaam resultaat te boeken.”
>> Het Departement Zorg werd in dit traject ondersteund door een consortium met LUCAS KULeuven, I-CHER van UGent, Over De Muur, Möbius en het Vlaams Instituut Gezond Leven. Daarnaast leverden 63 organisaties input via een participatieve stakeholdergroep, terwijl een expertenpanel met 17 academici en een indicatorenwerkgroep gericht advies gaven.